In dit hoofdstuk wordt er gekeken naar het handboek dat diagnostica gebruiken om te determineren of er sprake is van een autismespectrumstoornis.
Sinds het begin van de vorige eeuw is er veel onderzoek geweest naar geestelijke aandoeningen. Om te kunnen onderzoeken of en welke geestelijke aandoening iemand heeft, zijn richtlijnen en criteria opgesteld, zodat psychologen en psychiaters de juiste diagnoses kunnen stellen. Deze richtlijnen en criteria zijn opgeschreven in een handboek. Dit handboek heet de DSM, wat een afkorting is voor: ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’. Alle geestelijke aandoeningen staan uitgebreid beschreven in de DSM, zodat het makkelijker is de aandoeningen bij patiënten te kunnen herkennen.
De eerste DSM werd in 1952 geschreven door een aantal vooraanstaande psychiaters en psychologen. Maar door nader onderzoek werd er in de loop der tijd steeds meer bekend over de verschillende geestelijke aandoeningen, waardoor het handboek soms aangepast moest worden. Op dit moment wordt de DSM-IV vervangen door de DSM 5, maar om de overgang te versoepelen, wordt er vaak nog naar beide verwezen bij het stellen van de diagnose.

In de DSM-IV worden autismespectrumstoornissen geschaard onder de ontwikkelingsstoornissen. Ontwikkelingsstoornissen zijn neurologische, psychische of lichamelijke aandoeningen die optreden bij kinderen of adolescenten en die een belemmering vormen voor de normale ontwikkeling.

De DSM-IV onderscheidt de volgende groepen ontwikkelingsstoornissen:

  • Zwakzinnigheid (as II)
  • Leerstoornissen (waaronder dyslexie en dyscalculie)
  • Motorische stoornissen (dyspraxie)
  • Communicatiestoornissen (waaronder stotteren)
  • Pervasieve ontwikkelingsstoornissen
  • Aandachtstekort- en gedragsstoornissen (ADHD, ODD, CD)
  • Eetstoornissen in de kinderleeftijd (waaronder pica en ruminatiestoornis)
  • Ticstoornissen (waaronder het syndroom van Gilles de la Tourette)
  • Stoornissen met de ontlasting (enurese en encoprese)
  • Andere stoornissen in de kinderleeftijd of adolescentie (separatieangst, hechtingsstoornis, selectief mutisme, stereotype-bewegingsstoornis)

Autismespectrumstoornissen zien we hier niet bij staan. Autisme valt hierbij onder de pervasieve ontwikkelingsstoornissen. De term pervasieve ontwikkelingsstoornis (Pervasive Developmental Disorder, PDD) is een term in de psychiatrie waarmee vier ontwikkelingsstoornissen plus een restgroep (NOS – Not otherwise Specified, niet nader omschreven) worden aangeduid. Met ‘pervasief’ wordt ‘diep doordringend’ bedoeld, wat eigenlijk betekent dat het een stoornis betreft die ingrijpend is op alle levensgebieden.
Als synoniem wordt ook wel de term autismespectrumstoornissen of autisme gebruikt, maar op etiologische (oorzakelijke) gronden en gedragsclassificaties houdt dit niet voor iedereen hetzelfde in. De oorzaken en de gedragingen bij een diagnose ‘autismespectrumstoornis’ zijn dus zeer divers.

Bij de DSM-IV wordt autisme onderverdeeld in: klassiek autisme, het syndroom van Asperger en PDD-NOS. Bij PDD-NOS zijn er voldoende kenmerken van autisme aanwezig, maar alles bij elkaar voldoet het niet helemaal aan de criteria om te kunnen spreken van klassiek autisme of het syndroom van Asperger en horen daarom bij een restgroep. Deze namen (autisme, Asperger en PDD-NOS) zijn welbekend bij de meeste mensen. Verder vallen de stoornis van RETT, de ‘desintegratiestoornis in de kinderleeftijd’ en MCDD bij de DSM-IV nog onder de paraplu van autisme. Op deze stoornissen wordt in dit boek niet verder ingegaan.

Bij de DSM 5 is de onderverdeling van autisme anders dan bij de DSM-IV. De bekende namen als klassiek autisme, Asperger, PDD-NOS en dergelijke vallen weg. Deze stoornissen worden nu allemaal ASS (Autisme Spectrum Stoornis) genoemd. Er wordt nu meer gekeken naar de hulpbehoeftigheid, waarbij er onderscheid gemaakt wordt tussen ASS I, II en III. Behoor je tot de groep ASS I, dan ben je erg zelfredzaam en behoor je tot de groep ASS III dan heb je veel hulp nodig.

Lange tijd werd ook aangenomen dat de diagnose Autisme inherent was aan het hebben van een verstandelijke beperking en het syndroom van Asperger juist inherent aan het hebben van een hoog IQ. Niets is minder waar en daarom is de DSM5 ook aangepast aan wat we tegenwoordig weten van autisme en is de classificatie Klassiek Autisme, Asperger en PDD-NOS losgelaten om plaats te maken voor de classificatie van ASS naar aanleiding van de mate van hulpbehoevendheid.

In de DSM 5 heeft autisme een eigen categorie gekregen. Het valt nu onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen.
De neurobiologische ontwikkelingsstoornissen zijn een groep van stoornissen, die zich manifesteren in de loop van de ontwikkeling van het individu, en vaak al op zeer jonge leeftijd. In de psychiatrie zegt men dat hersenafwijkingen hierbij een belangrijke rol spelen. Neurobiologisch wil zeggen: alles wat met de ontwikkeling en de werking van het zenuwstelsel te maken heeft. Het zenuwstelsel geeft prikkels door aan de hersenen. De hersenen zetten die prikkels om in informatie en zorgt ervoor dat het lichaam reageert op die informatie. De werking van het zenuwstelsel en de werking van de hersenen hebben dus grote invloed op hoe wij de wereld om ons heen waarnemen en hoe we reageren.

De neurobiologische ontwikkelingsstoornissen in de DSM 5 zijn:

  • Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD)
  • Autismespectrumstoornissen
  • Verstandelijke beperkingen (globale ontwikkelingsachterstand)
  • Communicatiestoornissen (taalstoornis, spraakklankstoornis, stoornis in de spraakvloeiendheid in de kindertijd, sociale (pragmatische) communicatiestoornis)
  • Specifieke leerstoornissen (zoals dyslexie, dyscalculie)
  • Motorische stoornissen (Coördinatieontwikkelingsstoornis, Stereotype-bewegingsstoornis)
  • Ticstoornissen (stoornis van Gilles de la Tourette)

Een aantal stoornissen staan niet bij de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen die wel bij de ontwikkelingsstoornissen stonden in de DSM-IV, zoals eetstoornissen, stoornissen met de ontlasting en andere stoornissen in de kinderleeftijd of adolescentie. Deze vallen nu in andere categorieën.
Wanneer we kijken naar de autismespectrumstoornissen in de DSM 5 zien we dat sommige criteria, waaraan voldaan moet worden, zijn aangepast. Er wordt in de DSM 5 bijvoorbeeld minder nadruk gelegd op het hebben van problemen met de spraak en de motoriek om van een autismespectrumstoornis te kunnen spreken.

Onderzoekers vinden het nog vaak moeilijk om kinderen volgens de DSM 5 te classificeren. Alle kinderen zijn namelijk nog hulpbehoevend. Ze zijn nog aan het groeien, aan het leren en het zich ontwikkelen. Normaal- tot hoogbegaafde autistische kinderen hebben vaak wat meer begeleiding en ondersteuning nodig, maar dat wil niet zeggen dat ze dat als volwassenen ook nog nodig zullen hebben. Het was tot nu toe niet gebruikelijk om een diagnose binnen de Autisme Spectrum Stoornissen aan te passen. Bij de DSM IV worden diagnoses gegeven, zoals Klassiek autisme, Asperger, PDD-NOS die je je hele leven blijft houden. Maar bij de DSM 5 is dat anders, want een kind met ASS II kan best uitgroeien tot een volwassene met ASS I. De DSM 5 kan autisten (en hun omgeving) stimuleren om te groeien naar een ASS I diagnose. Een diagnose met de minste hulpbehoevendheid.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende