In dit hoofdstuk wordt er nogmaals stilgestaan bij de lijst met opvallendheden bij autisme (zie Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme), maar dan vanuit de theorie van een asynchronische ontwikkeling van de hersenen. Misschien wordt het dan nog duidelijker dat autisten eigenlijk gewone medemensen zijn, maar met een andere neurobiologische aanleg. Het valt hierbij op dat de opvallendheden (kenmerken) vooral de zwak ontwikkelde kanten van de linker-hersenhelft betreffen. Wanneer de punten bekeken worden vanuit het neurobiologisch ontwikkelingsstoornis perspectief komt er misschien een ander beeld over autisten tevoorschijn. Natuurlijk is het nodig om te generaliseren en zal niet iedereen met autisme alles ervan herkennen bij zichzelf.

Zoals gezegd is de communicatie een van de opvallende punten. De spraak en expressieve taalvermogens zijn vooral aanwezig in de linker-hersenhelft. Mensen met een overontwikkelde rechterhersenhelft kunnen dus moeite hebben met praten of zich uitdrukken middels taal. Sommige mensen met een comorbiditeit ASS + verstandelijke beperking leren nooit om te praten of minimaal.
Moeilijkheden op het gebied van de spraak en met name het ontwikkelen van spraak was lang ook een van de criteria voor een diagnose in het autismespectrum. Als je geen moeite had met het leren spreken, maar wel voldeed aan andere criteria van autisme, kwam je automatisch op Asperger terecht, oftewel hoogfunctionerend autisme. Tegenwoordig is dit anders en wordt er nog wel gekeken naar de spraakontwikkeling, maar wordt het minder gezien als een factor van autisme op zich.

Zoals eerder gezegd kunnen de hersenhelften gedeeltelijk elkaars functies overnemen. Des te zwakker ‘links’ is, des te moeilijker het wordt om te leren spreken. Spraak kan overgenomen worden door de rechterhersenhelft. Autisten kunnen dus gewoon leren praten, waarbij de rechterhersenhelft de linkerhersenhelft voor een groot deel kan ondersteunen bij het leren praten. Het blijft echter behelpen, want de nuances van taal en de expressieve taalvermogens zijn zeer moeilijk over te nemen door ‘rechts’ en blijven iets waar vooral ‘links’ goed in is. Dit strookt weer met het beeld dat mensen hebben van autisten die taal letterlijk nemen en moeite hebben met taal op een figuurlijke manier te gebruiken/begrijpen. Het begrijpen van taal kost een autist over het algemeen (iets) meer moeite, evenals het zich uiten via taal.

Hieruit volgt meteen het volgende punt: emoties. Sommige mensen denken nog steeds dat autisten geen gevoel, geen emoties hebben. Gelukkig zie je dat niet meer zo vaak terug in de kenmerken en zul je het professionele hulpverleners niet meer horen zeggen.
Autisten zijn, vanuit de theorie van de asynchronische ontwikkeling, juist gevoelsmensen. De rechterhersenhelft is gericht op gevoel en emoties. De moeilijkheid ligt in het zich uitdrukken van gevoelens via taal. Om emoties te beschrijven worden vaak de expressieve taalvermogens gebruikt. Het is nogal complex.
Denk maar na. Wanneer je iets voelt, is dit veelal lichamelijk. Als je bang of zenuwachtig bent, voel je dat in je buik. Verliefdheid voel je ook in je buik, maar anders. Het gevoel is op dezelfde plek, is hetzelfde, maar toch anders. Dat maakt het vaak moeilijk om te bevatten en te omschrijven. Kleine kinderen (peuters, kleuters) hebben nog niet de juiste woorden om emoties te omschrijven. Dit is iets dat volwassenen aan kleine kinderen leren. Ze leren hen lijfelijke gevoelens om te zetten in woorden die bij emoties passen. Normaal gesproken leer je als kind je gevoelens uit te drukken middels expressieve taal die anderen begrijpen.
Omdat de rechterhersenhelft meer ontwikkeld is bij autisten en de ontwikkeling van de linker-hersenhelft maar langzaam op gang komt, zijn autistische peuters/kleuters er nog niet aan toe om uitleg te ontvangen over het omzetten van lijfelijke gevoelens naar het praten over emoties. Later, wanneer ze er wel aan toe zijn, zijn ze al zo oud dat volwassenen geen uitleg meer geven. Dat is iets dat je automatisch doet bij jongere kinderen, maar bij oudere kinderen niet meer. Zo wordt dat stuk in de ontwikkeling bij autistische kinderen veelal minder duidelijk uitgelegd of zelfs overgeslagen. Autistische kinderen kunnen dan ook op latere leeftijd, net zoals peuters doen, nog steeds basaal reageren op de overweldigende emoties die in hen omgaan en kunnen gaan schreeuwen, schoppen, slaan of wegrennen, maar daarentegen ook verrukt staan kijken naar het mooie uitzicht of intens genieten van de zilte zeewind op hun gezicht.

Samenhangend met de overweldigende gevoelens en het verwoorden van emoties is het inleven in anderen. Peuters vinden het moeilijk de eigen emoties te bevatten en kunnen zich daarom (nog) moeilijk inleven in emoties van een ander. Autisten hebben vaak hetzelfde probleem. Dat betekent niet dat ze niet zorgzaam zijn of niet om anderen geven, maar als je niet weet wat er aan de hand is bij jezelf, kun je het moeilijk herkennen bij een ander. Dat moet geleerd worden. De meeste autisten kunnen dat ook prima leren indien het op de juiste tijd en de juiste manier wordt aangeboden. Dit geldt ook voor het interpreteren van non-verbale communicatie. Dat kan ook heel goed aangeleerd worden.
En hetzelfde geldt voor veel van de sociale regels die in de maatschappij gelden. Die regels zijn geen wetten, ze verschillen per cultuur, sommigen per land, per stad en zelfs per gezin. Het is niet altijd even duidelijk wat die regels zijn. Kleine kinderen pikken die regels gaandeweg op. Er wordt uitleg gegeven wanneer ze iets doen dat sociaal gezien niet de bedoeling is. Weer zien we hetzelfde probleem bij autisten. Zij zijn nog niet toe aan de (verbale) uitleg en wanneer ze er wel aan toe zijn, worden ze geacht de regels al te kennen en toe te passen.

Dat is eigenlijk een van de grootste problemen in het omgaan met autisten. Men verwacht dat kinderen op een bepaalde leeftijd al bekend zijn met nuances in communicatie, met het juist weergeven van de eigen gevoelens, het inleven in een ander en de sociale omgangsregels kennen. Wanneer de autistische persoon anders (jonger) reageert dan je zou verwachten op die leeftijd, komt het niet in de ander op om uitleg te geven, maar om te veroordelen en te straffen.
Dit alles wil niet zeggen dat we autisten als peuters moeten gaan behandelen! Verre van dat. Want in sommige opzichten zijn autisten hun leeftijdgenootjes juist ver vooruit. Een autist moet dus gewoon toegesproken worden zoals je met alle kinderen van die leeftijd zou doen, in gedachten houdend dat bepaalde dingen nog uitgelegd moeten worden die bij leeftijdsgenootjes al bekend zijn.

Zoals al eerder gezegd hebben mensen met een overontwikkelde rechterhersenhelft vaak veel kwaliteiten die meestal pas op latere leeftijd naar voren komen doordat ons schoolsysteem gericht is op de kwaliteiten van mensen met een gewone neurobiologische ontwikkeling. Vaak lees je dan ook dat deze mensen moeite hadden op school en pas later erkenning kregen voor hun talenten.

Het volgende wat vaak opvalt aan autisten is de prikkelverwerking. Wanneer je kijkt vanuit de asynchronische ontwikkeling, zie je dat mensen waarvan de rechterhersenhelft sterker ontwikkeld is, de wereld om hen heen vaak als geheel zien: holistisch. Dat is een goede kant, maar het kan ook vervelend zijn.
Alles in een keer zien levert behoorlijk veel informatie tegelijkertijd op. Als je alles in een keer ziet, maar het minder goed kan ordenen en categoriseren (want daar is ‘links’ weer beter in) kun je problemen krijgen met de informatieverwerking. Dat betekent meestal ook dat het moeilijk is om hoofd- van bijzaken te onderscheiden. Details zijn dus even belangrijk als het geheel, maar het geheel is moeilijk in een keer te bevatten. Je richten op details, de omgeving in delen waarnemen, kan dan het gevolg zijn.

Als je situaties als geheel ziet, is de wereld heel complex. Alles om je heen communiceert namelijk. Zelfs materiële zaken. Kamers hebben bijvoorbeeld hun eigen ‘boodschap’. Een wachtkamer ziet er namelijk heel anders uit dan een slaapkamer. Alles geeft informatie door.
Ben je thuis en er staat een tv aan, iemand telefoneert, twee anderen spelen een spel en de buurman oefent op de trompet, dan levert dat heel veel auditieve informatie tegelijk op als alles als ‘geheel’ ervaren wordt. Als je daarnaast ook nog ziet dat de plant water nodig heeft, er een stapel papieren op tafel ligt en de jassen over de stoel gegooid zijn, levert dat ook nog eens veel visuele informatie op. Zo kun je doorgaan met alle zintuiglijke informatie die in een keer binnenkomt. Het vergt veel inspanning en oefening om daarmee om te kunnen gaan. Je bent de hele tijd bezig te ordenen in je hoofd. Je moet alles wegen. Is dit een hoofdzaak of een bijzaak? Wat is nu belangrijk en wat kan later nog?
En als je er al mee hebt leren omgaan, dan kan je het misschien niet meer op het moment dat je je niet lekker voelt of er komt nog iets bij wat je niet verwacht had. Een onverwachte verandering in de situatie is dan de druppel die de emmer doet overlopen. Dit geldt voor de meeste autisten, ongeacht de leeftijd. Maar ook neuro-typische mensen ervaren regelmatig die laatste druppel. Alleen komt die voor hen misschien wat later dan bij autistische mensen.

Alles als geheel zien en moeilijk kunnen ordenen kan flink wat chaos opleveren. Voor mensen met een overontwikkelde rechterhersenhelft kan het fijn zijn als die chaos geordend wordt. Als er regels zijn waar en wanneer iets plaats vindt (jassen aan de kapstok, tv uit als er niemand kijkt) kan dat verlichting geven.
Maar daarbij is het ook belangrijk de eigen regie te kunnen behouden. Wanneer je zelf mee kunt denken over wat prettig zou zijn voor je en je zelf richting kunt geven aan je leven, is het veel fijner dan wanneer iemand anders alle regels voor je bepaalt. Dat kan dan juist averechts werken en het moeilijker maken. Regels waar je zelf niet achter staat of die je zelf niet begrijpt, maar geacht wordt ze na te leven, leggen juist een extra druk. Daarom is afstemming op elkaar en uitleg aan elkaar waarom je een bepaalde regel in wil stellen zo belangrijk. Dat geldt voor iedereen, ongeacht of die persoon autistisch is of niet.

Wat verder nog verlichting kan geven is het wegduiken in je eigen wereld. Lekker lezen of spelen. Omdat mensen met een sterkere rechterhersenhelft vaak heel goed zijn in het verbeelden, ontdekken, experimenteren en inventief zijn, hebben ze niet veel nodig om toch weg te kunnen duiken in een eigen wereld. In gedachten worden er hele raketten gebouwd, nieuwe werelden ontdekt of machines uitgevonden.
De wereld om je heen valt een beetje weg als je ergens helemaal in op gaat. Dit komt doordat je hersencapaciteit vol schijnt te raken wanneer je je ergens helemaal op concentreert, zodanig dat andere visuele- en geluidsstimuli minder goed worden verwerkt. Dat geldt niet alleen voor autisten, maar voor iedereen. Heerlijk is dat, helemaal wegduiken in een goed boek. Ontspannend. Je bent dan zo in een andere wereld dat je het niet merkt wanneer anderen tegen je praten. Het kan zelfs erg storend zijn als iemand je uit een goed boek wil halen. Je wilt verder lezen en niet terug naar de realiteit waar er van alles gedaan moet worden.

Voor autisten werkt het, over het algemeen, net zo. Je duikt weg in je eigen wereld en wil liever niet gestoord worden. Vooral wanneer je niet in een boek leest, maar in gedachten bezig bent. De kans is namelijk groot dat je straks niet meer weet waar je was met het uitvinden of ontdekken, want je kunt geen bladwijzer in je gedachten stoppen. Vaak zit het hoofd helemaal vol met allerlei (onafgemaakte) gedachten. Want naast inventief zijn, zijn mensen met een overontwikkelde rechterhersenhelft meestal niet zo goed in het ordenen of het op papier zetten van ideeën (wat gaat dat schrijven langzaam in vergelijking met denken en welke woorden gebruik je dan). Met zo’n vol hoofd heb je niet veel behoefte aan mensen die iets van je willen of heb je minder zin om met vriendjes spelen (welke sociale regels zijn er en welke moet ik toepassen?). Wel is het fijn al die gedachten te kunnen delen met iemand, want dan zit je hoofd niet meer zo vol. Dit kan dan resulteren in lange monologen, omdat er gewoon zoveel te vertellen is en het moeilijk is de hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden. Alles is belangrijk.

Prikkelverwerking is eigenlijk het ordenen en classificeren van de sensorische (zintuiglijke) informatie die binnen komt. Er kan een overgevoeligheid of een ondergevoeligheid ontstaan voor prikkels.
De overgevoeligheid ontstaat doordat er teveel informatie tegelijk binnenkomt en ordenen een probleem kan zijn. Er zit geen filter op de informatie, zoals bij andere mensen. Andere, neuro-typische, mensen kunnen de prikkels bij het binnenkomen al ordenen, zodat ze weten of iets belangrijk is en gehoord/gezien etc. moet worden of niet. Wanneer dat filter er niet is en alle prikkels even hard binnenkomen, kan er teveel informatie tegelijk binnenkomen. De prikkels zijn dan moeilijker te verdragen. Dit uit zich in een (te) sterke reactie op de zintuiglijke informatie die binnen komt. Bijvoorbeeld overgevoeligheid voor licht of geluiden, maar ook voor eten of aanrakingen.
Het tegenovergestelde kan ook gebeuren, dus een ondergevoeligheid voor prikkels. Het verwerken van de sensorische informatie op zich kan moeilijkheden opleveren, waardoor prikkels (sensorische informatie) niet goed door kunnen komen. Vooral als het hoofd al vol zit met andere informatie, kan het zijn dat de prikkels niet goed verwerkt worden.

De motoriek van autisten is nog niet ter sprake gekomen, bekeken vanuit de asynchronische theorie. Daar wordt nu kort op in gaan. Mensen die een overontwikkelde rechterhersenhelft hebben kunnen problemen hebben met de motoriek, maar het hoeft niet. Als dat wel het geval is, kan het probleem zijn dat de hersenen het lichaam moeten sturen.
Baby’s en (kleine) kinderen maken bepaalde stappen (fasen) door in hun lichamelijke ontwikkeling. Pas als de ene fase beheerst wordt, volgt de andere fase. Omdat er een andere ontwikkeling wordt doorgemaakt en alle ontwikkelingsgebieden met elkaar te maken hebben, kunnen sommige fasen bij autisten onverhoopt overgeslagen worden. Deze fasen worden dan niet of minder goed beheerst zodat de basis voor de fasen die daarna komen niet goed is aangelegd.
De linker-hersenhelft is goed in het stapsgewijs aanleren van zaken (niet alleen lichamelijk, maar ook bv schoolvakken). De lineaire benadering. Dit is iets wat voor mensen met een sterkere rechterhersenhelft moeilijker is. Het stapsgewijs iets aanleren, de vele informatie die verwerkt moet worden, het volle hoofd dat instructie moet geven aan het lijf. Dit alles kan in de weg staan van een vlotte lichamelijke ontwikkeling.

Tot zover de uitleg over de opvallendheden bij autisme bekeken vanuit de theorie van de asynchronische ontwikkeling van de hersenen. Wat hierbij wellicht is opgevallen is dat er in dit hoofdstuk wordt ingegaan tegen de algemene opvatting dat autisten moeite hebben met de Centrale Coherentie. Ter herinnering: de Centrale Coherentie staat voor het waarnemen van de omgeving als geheel. Er wordt gezegd dat autisten daar moeite mee hebben, dat ze de omgeving in losse delen waarnemen en het geheel niet goed kunnen overzien.
Dit strookt echter niet met het idee van een overontwikkelde rechterhersenhelft, waarin juist naar voren komt dat deze mensen zaken als geheel (holistisch) zien. In dit boek wordt er van uitgegaan dat het wel klopt dat autisten moeite hebben met de Centrale Coherentie, maar niet omdat ze de omgeving niet als geheel kunnen waarnemen. Het lijkt eerder voort te komen uit het feit dat het te overweldigend is om de omgeving als geheel te zien, waardoor het makkelijker is om je op een deel ervan te richten. Het niet goed overzien van de omgeving komt, in dat opzicht, voort uit het feit dat het ordenen van de omgeving als geheel moeite oplevert.
Een overzicht betekent namelijk iets kunnen overzien, een samenvatting of hoofdlijnen kunnen aangeven. En dat is inderdaad vaak wel het probleem bij autisten. Het ordenen dus van de wereld om je heen en weten wat de hoofd- en bijzaken zijn, zodat je een goed overzicht hebt van de omgeving of situatie. Hier wordt er dus van uitgegaan dat de moeilijkheid met de Centrale Coherentie daarin zit en niet om iets als geheel te ervaren.

Hieronder wordt nog even op rij zetten wat in dit hoofdstuk naar voren is gekomen. Hiervoor worden de hoofdlijnen van de psycho-educatie aangehouden, zoals beschreven in Hoofdstuk 6 Behandeling van Autisme Spectrum Stoornissen.

Samenvatting:

Communicatie: spraak zit in de linker-hersenhelft, is gedeeltelijk wel over te nemen door de rechterhersenhelft, maar de expressieve taalvermogens blijven moeilijk. Dit kan zich uiten in taal letterlijk nemen. Het beïnvloedt het begrijpen en verwoorden van emoties en gevoelens bij jezelf en die van een ander.
Sociale interactie: ongeschreven sociale regels zijn moeilijk als de langzamere ontwikkeling van de linker-hersenhelft nog niet toe is aan het ontvangen van informatie daarover op jonge leeftijd en het later niet meer wordt aangeboden. Dan wordt het raden naar wat er om je heen gebeurd.
Soepel denken en doen + prikkelverwerking: Als de wereld om je heen ongenuanceerd en in één keer binnenkomt (‘rechts’), wil je je vasthouden aan orde en structuur (‘links’). Dat geeft rust. Anders loopt het hoofd over van alle informatie die het binnenkrijgt. Een verandering kan dan al teveel zijn. Alle sensorische informatie moet geordend worden wat veel tijd en energie kost, omdat ‘links’ daar goed in is en ‘rechts’ minder.
Verbeelding/fantasie: Het is fijn om je terug te trekken van de drukke chaos. Wanneer je dat doet, merk je de wereld om je heen minder op en kan je minder snel overspoeld raken door alle prikkels.
Motoriek: De algehele ontwikkeling is over het algemeen ook bepalend voor de mate waarin de motoriek zich ontwikkelt. De lineaire benadering van het stapsgewijs aanleren van zaken, waar de linker-hersenhelft goed in is, kan moeilijk zijn voor de overgestimuleerde rechterhersenhelft en dit staat het makkelijk aanleren van zaken (zowel motorisch als cognitief) in de weg.
Gedrag: overweldigende, ongenuanceerde prikkels leiden vaak tot overweldigende emoties + het onvermogen om hier makkelijk over te communiceren kunnen leiden tot externaliserend gedrag.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende