De motoriek vormt dus een belangrijke schakel in de algehele ontwikkeling van kinderen. Voor een deel bepaalt aanleg het verloop van de motorische ontwikkeling, maar voor een groot deel ook de omgeving. Of het kind opgroeit op een plek waar het gestimuleerd wordt om te bewegen en waar bewegen ook mogelijk is, of dat het kind opgroeit op een plek waar er nauwelijks mogelijkheid is om (buiten) te spelen, bepaalt in grote mate hoe het kind zich motorisch, maar dus ook cognitief en sociaal-emotioneel, ontwikkelt.
Al eerder is vermeld (zie Hoofdstuk 11 Impact van een autismespectrumstoornis algemeen) dat het niet mee kunnen spelen met anderen sociale contacten kan hinderen, maar motoriek is ook van invloed op de cognitie. Niet lekker (buiten) kunnen spelen, heeft dus ook een effect op het leren in zijn algemeenheid. Het is daarom van belang dat kinderen de mogelijkheid hebben om zich op alle gebieden te ontwikkelen en dus ook de mogelijkheid hebben om te spelen met andere kinderen.

De motoriek, het bewegen van het lichaam, wordt aangestuurd door de hersenen. Daarbij wordt gezegd dat er verschillende dingen moeten gebeuren, namelijk:

  • Het vormen van een idee. Dus het vermogen hebben om een mentaal plaatje te creëren van het doel wat je wilt behalen en welke stappen er nodig zijn om dat doel te bereiken.
  • Het plannen van de actie. Het vermogen om de verschillende stappen/bewegingen te plannen en te organiseren (welke volgorde van bewegingen er moet zijn), zodat het doel behaald kan worden.
  • Het coördineren van de actie, zodat het individu de benodigde bewegingen in de juiste volgorde met precisie kan uitvoeren.
  • Feedback. Het herkennen of het doel behaald is en wat de gevolgen daarvan zijn. Hoe is het gegaan?

Over het algemeen is men niet bewust bezig met deze stappen, behalve tijdens het aanleren van een actie. Wanneer iets al ingeoefend is, doe je de handeling, het bewegen, zonder er nog over na te denken. Het is geautomatiseerd.
Bij sommige mensen lukt dat minder goed. Het kost meer moeite om bewegingen aan te leren en te oefenen. Bewegingen zijn namelijk heel complex. Veel meer dan je denkt. Denk maar na over wat je nodig hebt om een bal te gooien. Het is niet alleen zwaaien met je arm, maar je gebruikt ook je ogen om te kijken waar je de bal naar toe wilt krijgen, je moet het gewicht van de bal en de kracht waarmee je de bal aanstuurt in kunnen schatten, je moet goed staan, zodat je niet omvalt tijdens het gooien, zwaai je onderhands of bovenhands, wanneer laat je de bal los en ga zo maar door. Het is niet voor iedereen even eenvoudig om dat allemaal tegelijkertijd te plannen en te coördineren. En al helemaal niet in een spel of tijdens gym waarbij je meestal snel moet reageren.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het afkijken van een handeling. Wanneer je iemand iets ziet doen, kan het zo makkelijk lijken. Je wilt het zelf ook proberen. Wanneer het niet meteen lukt, kijk je nog eens goed hoe de ander het doet. Hoe houdt hij de ringen beet, hoe zet hij af enz. Sommige mensen vinden het al moeilijk om deze informatie naar zichzelf toe te vertalen. Dit heeft met het verwerken van de zintuiglijke informatie te maken. Zowel bij het afkijken van de handeling en het vertalen naar het eigen lichaam, als bij het uitvoeren van de handeling gebruik je namelijk je zintuigen.

Zintuigen worden ook wel sensoren genoemd en het verwerken van de informatie die de zintuigen doorgeven werd eerst de sensorische integratie genoemd, maar wordt nu de sensorische informatieverwerking genoemd.
Een zintuig is een orgaan dat prikkels waarneemt. De meeste therapeuten geven aan dat er 7 zintuigen zijn, namelijk kijken, horen, ruiken, proeven, voelen, evenwicht (vestibulaire) en positie/houding (propriocepsis). Het lijf heeft ogen om te zien, oren om te horen, een neus om te ruiken, een mond om te proeven en huid om te voelen. Dat is voor de meeste mensen wel bekend. Daarnaast is er echter ook een evenwichtsorgaan (in het oor) om het evenwicht mee te bepalen. Wanneer je duizelig bent, werkt het evenwichtsorgaan (tijdelijk) niet goed, waardoor alles draait en je moeilijk kunt bepalen wat onder of boven, links of rechts is en waardoor je zelfs om kunt vallen.
En dan heb je nog de spieren, gewrichten en pezen die de positie/houding doorgeven. Op die manier weet je waar je arm is bijvoorbeeld. Je weet zonder te kijken of je arm slap langs je lijf ligt of dat je je vinger opsteekt. Wanneer de informatie van je spieren, gewrichten en pezen (tijdelijk) niet goed doorkomt, kun je die positie niet meer of minder goed bepalen. Bijvoorbeeld bij een slapende voet of arm. Je voelt dit lichaamsdeel niet meer en als je niet kijkt, kun je niet bepalen welke kant je voet op wijst of hoe de stand van je arm is.
Er zijn ook mensen die zeggen dat er meer dan 7 zintuigen zijn, omdat een zintuig een orgaan is dat prikkels waarneemt. De prikkels van binnen het eigen lichaam die de inwendige organen doorgeven, namelijk honger, dorst, slaap, of je naar de wc. moet en of je extra zuurstof nodig hebt, wordt daarom ook wel gerekend tot de zintuigen en wordt interoceptie genoemd.
Daarnaast geeft de huid niet alleen tast door, maar ook pijn en temperatuur, dus worden deze ook wel als afzonderlijke zintuigen genoemd, namelijk de nociceptie (pijn) en de thermoceptie (temperatuur).
De informatie die de zintuigen doorgeven is dus heel belangrijk voor het (over)leven, maar ook bij het bewegen van het lichaam. Wanneer er iets niet goed gaat in het doorgeven, ontvangen of verwerken van die informatie, kan het problemen opleveren voor de motorische ontwikkeling.

Veel autisten hebben moeite met de motoriek en de sensorische informatieverwerking. Autisme is volgens de DSM een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en zoals in Hoofdstuk 2 Autismespectrumstoornissen volgens de DSM al naar voren kwam heeft een neurobiologische ontwikkelingsstoornis te maken met de ontwikkeling en de werking van het zenuwstelsel en de hersenen. En dus met het doorgeven, ontvangen en verwerken van prikkels. De ene autist heeft hier meer last van dan de andere, maar over het algemeen kun je stellen dat elke autist in meerdere of mindere mate last heeft van moeilijkheden op het gebied van de sensorische informatieverwerking.
Wel is er een verschil tussen hypo- en hypersensitiviteit. Hyposensitiviteit, ook wel onderprikkeling geheten, betekent het niet of weinig reageren op prikkels. De prikkels komen niet goed door. Dit kan ervoor zorgen dat mensen hun grenzen blijven opzoeken, ze willen meer en hardere prikkels. Hypersensitiviteit betekent dat prikkels te veel en te hard doorkomen, overprikkeling dus. Dit kan ervoor zorgen dat mensen bijvoorbeeld minder aangeraakt willen worden, ze willen minder prikkels.
Het hangt van de sensorische informatieverwerking af hoe prikkels beleefd worden. Dit kan bij iedereen, dus ook bij autisten onderling, weer anders zijn.

Door moeilijkheden met de sensorische informatieverwerking ontstaan er bij autisten meestal ook moeilijkheden met het aanvoelen van processen binnen het lichaam (bijvoorbeeld honger of verzadiging), maar ook bij de motorische ontwikkeling.
Soms worden de motorische problemen niet erg sterk of helemaal niet ervaren. Wanneer er wel problemen ervaren worden, kan er een heleboel aangeleerd worden. Het leren gaat vaak echter niet ‘vanzelf’ zoals bij neuro-typische kinderen. Het kost meer tijd, energie, geduld en inoefening om mee te (kunnen) doen met de rest. En ook al gaan ingeoefende handelingen na een tijdje min of meer automatisch, het hoeft niet te betekenen dat het volledig geautomatiseerd is. Veel autisten blijven ‘bewuster’ bezig met, dat wil zeggen moeten zich meer concentreren op, de handeling dan de meeste andere mensen.
Doordat veel handelingen meer concentratie vergen, hebben autisten vaak meer moeite met het (samen) sporten. Veel mensen zeggen dat sporten, fietsen of wandelen goed is voor je en dat het je rust brengt. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat je je hoofd helemaal leeg kunt maken door te sporten. Dit hoeft voor autisten niet altijd op te gaan. Het kan juist zijn dat het voor hen uitputtender is, omdat zij zich meer moeten concentreren en meer inspanning moeten leveren om het gewenste resultaat te behalen. Bewegen is goed en je lichaam heeft het nodig om gezond te blijven, maar meedoen met sporten (zeker teamsport) hoeft niet altijd even fijn te zijn voor autisten en kan juist een averechts effect hebben (helemaal leeg, opgebrand en uitgeput raken). Hoewel er natuurlijk ook autisten zijn die minder moeite hebben met de motoriek en die wel die rustbeleving hebben bij het sporten.
Maar wanneer je wel moeite hebt om mee te doen met sporten, kan het een belemmering vormen voor het aangaan van sociale contacten. Zeker in deze westerse maatschappij waarbij sport en spel een grote rol spelen. Niet goed mee kunnen doen en uitgeput raken terwijl alle anderen het heerlijk vinden, kan je een (nog) groter gevoel van anders zijn en van falen geven, wat natuurlijk niet bevorderlijk is voor het welzijn.

Er moet opgemerkt worden dat er een verschil is tussen de grove en de fijne motoriek. Bij de meeste sporten gebruik je de grove motoriek. Grove motoriek wil zeggen grote, praktische bewegingen die je met het lichaam maakt, zoals zwaaien, lopen, houding, hoofdbalans en dergelijke. Je maakt hierbij gebruik van je spierspanning, kracht, coördinatie en propriocepsis (houding).
De fijne motoriek wil zeggen fijne, kleine bewegingen die je bijvoorbeeld met je handen en vingers maakt voor het grijpen en manipuleren van een voorwerp, zoals schrijven, veters strikken en dergelijke. Je maakt hierbij vooral gebruik van de oog-hand coördinatie (het kijken en onderzoeken met de ogen, zodat je je hand en vingers goed kunt richten) en je hebt er aandacht en concentratie voor nodig.
Wanneer je moeite hebt met de grove motoriek, hoeft het niet te betekenen dat je ook moeite hebt met de fijne motoriek en andersom, maar vaak hebben mensen die moeite hebben met de motoriek last van moeilijkheden met zowel de grove als de fijne motoriek.

Er wordt ook wel eens genoemd dat veel autisten last lijken te hebben van hypermobiliteit. Nu hebben niet alleen autisten last van hypermobiliteit. Een groot deel van de mensheid heeft het. Het is erfelijk. Autisten hebben niet vaker last van hypermobiliteit dan andere mensen, maar het kan hen wel meer problemen opleveren, doordat hypermobiliteit nauw samenhangt met de sensorische informatieverwerking.
Hypermobiliteit betekent dat de pezen en banden te soepel zijn en daardoor niet de gewenste steun geven aan gewrichten, waardoor de gewrichten te beweeglijk worden. Het maakt het lichaam wel soepel (beweeglijk), maar kan klachten opleveren als: regelmatig verzwikken of moeite met schrijven (vasthouden van de pen). Daarnaast kan het ook pijn in de gewrichten en spieren geven. Pijn in de gewrichten, omdat ze niet de juiste steun krijgen en pijn in de spieren doordat die de soepelheid van de pezen en banden proberen op te vangen om de gewrichten de steun te geven die ze nodig hebben.
Je kunt wel sporten met hypermobiliteit, hoewel krachtsport niet aan te raden is, omdat kracht zetten niet alleen vanuit de spieren gebeurt, maar vooral ook met de pezen en banden te maken heeft.
Hypermobiliteit beïnvloedt de propriocepsis (zelfwaarneming/houding, zie boven). De spieren, pezen en banden geven namelijk de positie door van het lichaam en door de hypermobiliteit kan het zijn dat het doorgeven van die informatie minder makkelijk verloopt.
Hypermobiliteit kan dus mede problemen veroorzaken op het gebied van de sensorische informatieverwerking, de algehele motoriek, behendigheid bij sporten en dus ook op het welzijn van de persoon in kwestie.

Naast het mogelijke obstakel van de hypermobiliteit, worden problemen met de spierspanning ook vaak genoemd bij autistische mensen. Ook hierbij speelt de propriocepsis een grote rol, want het heeft te maken met het aanspannen of juist loslaten van je spieren. Het werd al eerder genoemd dat je bij een handeling moet kunnen inschatten hoeveel kracht je zet of nodig hebt. Wanneer sensorische informatie moeilijk doorkomt, kan een inschatting hiervan moeilijk zijn. Het gevolg kan zijn een te lage spierspanning (slap) of te hoge spierspanning (strak, hard, stijf). Dit hoeft niet alleen bij bepaalde handelingen voor te komen, maar kan voortdurend zijn wat betekent dat je je spieren dus constant te slap of te hard aanspant. Soms hoor je daardoor mensen commentaar geven op iemands houding (bv. je staat krom/gebogen, ga eens recht staan) bij een slappe spierspanning.
Wat ook van invloed is op de spierspanning is het ervaren van emoties als bijvoorbeeld stress of angst. Bij angst duik je in elkaar, wil je niet aanwezig zijn. Bij stress span je je spieren aan, klaar om weg te rennen (uitdrukking: je staat stijf van de stress). Wanneer dus gezegd wordt dat veel autistische mensen moeite hebben met spierspanning, kan dat zowel een lichamelijke als geestelijke oorzaak hebben, maar meestal is het een combinatie van die twee.

Bij de motorische ontwikkeling kunnen autisten dus last hebben van verschillende dingen.
Allereerst speelt de sensorische informatieverwerking een grote rol. Het doorgeven, ontvangen en verwerken van informatie levert meestal in meerdere of mindere mate problemen op, waardoor men hypo- of hypersensitief is.
Daarnaast is het automatiseren van handelingen door autisten vaak moeilijk, waardoor autisten meer inspanning en concentratie moeten leveren bij het sporten/bewegen. Hoewel het mogelijk is dat er moeilijkheden zijn met de grove motoriek of de fijne motoriek, is er vaak sprake van moeilijkheden met beiden.
En dan kan hypermobiliteit ook nog een rol spelen, wat invloed heeft op de spieren en gewrichten en de informatieverwerking van de propriocepsis (houding).
De propriocepsis, alsmede sterke gevoelens van bij voorbeeld angst of stress, kunnen van invloed zijn op de spierspanning, die sommige autisten niet goed kunnen sturen waardoor er een te hoge of te lage spierspanning ontstaat.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende