Zowel de motorische ontwikkeling als de cognitieve ontwikkeling zijn van invloed op de sociaal-emotionele ontwikkeling en andersom. Het kunnen spelen met anderen is al eerder aan bod gekomen, maar het leren is ook van belang. Wanneer je op een andere manier leert, praat en/of doet heeft dat een impact op het geaccepteerd worden door anderen en het mee mogen/kunnen doen met anderen, wat weer van invloed is op de sociaal-emotionele ontwikkeling en het welzijn. En wanneer de sociaal-emotionele ontwikkeling daardoor moeizaam verloopt, kun je meer moeilijkheden krijgen bij het leren en de motoriek, omdat je niet meer gemotiveerd bent om mee te doen met de rest en je je niet veilig en vertrouwd voelt. Wanneer je niet oppast ontstaat er op deze manier een negatieve spiraal die soms moeilijk doorbroken kan worden. Slechts wanneer men positieve ervaringen opdoet kan het vertrouwen, de veiligheid en de motivatie weer opgebouwd worden, waardoor men weer verder kan leren op motorisch, cognitief en sociaal-emotioneel gebied. Want veiligheid en vertrouwen, maar ook motivatie, zijn zeer belangrijk bij alle ontwikkelingsgebieden.

De sociaal-emotionele ontwikkeling wil zeggen het leren omgaan met anderen (sociaal) en de eigen emoties (emotioneel). Eigenlijk kun je het ook zien als het vormen van de eigen persoonlijkheid volgens verwachtingen van de omgeving. De omgeving leert je namelijk hoe je gevoelens heten en hoe je ermee om kunt gaan. Ook leert de omgeving je de sociale omgangsregels die bij jouw cultuur passen. De omgeving heeft dus veel met de sociaal-emotionele ontwikkeling te maken. Zonder de omgeving, de sociale contacten, kunnen mensen niet leven.
Er zijn wel experimenten geweest, zoals door dr. Spitz in 1944 in Amerika, waarbij baby’s verzorgd werden, maar waar verder geen affectie aan werd gegeven. Er werd niet tegen hen gepraat, niet met hen gespeeld en de baby’s werden zo min mogelijk aangeraakt. Na 4 maanden was de helft van de baby’s doodgegaan en hebben ze het experiment gestaakt. Zelfs nadat ze ermee gestopt waren, gingen er nog een paar baby’s dood. Alle baby’s die waren overleden stopten eerst met het proberen om contact te maken met hun verzorgers. Later stopten ze ook met bewegen, waarna ze doodgingen.
Dit gruwelijke experiment geeft aan hoeveel invloed de omgeving heeft op de sociale en de emotionele ontwikkeling en hoeveel het sociale en emotionele gedeelte van de ontwikkeling met elkaar te maken hebben. Sociaal en emotioneel zijn zeer met elkaar verweven en worden daarom ook samen genoemd als zijnde één en dezelfde ontwikkeling. Ze horen bij elkaar.

Sociale vaardigheden (en dus de sociale ontwikkeling) worden je bijgebracht door de omgeving. Emoties hangen samen met je temperament. Je wordt ermee geboren, maar het wordt tevens sterk beïnvloed door de omgeving. Door de omgeving leer je je emoties te reguleren, oftewel onder controle te houden en niet op iedere impuls in te gaan, zodat je makkelijker sociale contacten aan kunt gaan. Om dit (emotieregulatie) goed te kunnen doen, moet je inzicht hebben in de situatie en in je eigen handelen.
Het reguleren van emoties en inzicht hebben in de situatie en het eigen handelen hebben, net als motivatie, te maken met de Executieve Functies. Zoals in het vorige hoofdstuk al naar voren is gekomen zijn er Executieve Functies die te maken hebben met emotie, de zogenoemde emotionele executieve functies, oftewel de motivatie, de emotieregulatie en metacognitie.
Motivatie betekent het formuleren van doelen en ernaar toe werken.
Emotieregulatie wil zeggen de emoties en het gedrag onder controle hebben.
Metacognitie is het overzien en evalueren van jezelf en de situatie.
In het vorige hoofdstuk konden de moeilijkheden met de cognitieve EF’s verklaard worden wanneer er vanuit gegaan werd dat er moeilijkheden met de sensorische informatieverwerking waren en een sterker ontwikkelde rechterhersenhelft. De emotionele EF’s kunnen ook (gedeeltelijk) hiervanuit verklaard worden.
Voor motivatie moet je niet alleen het doel en de rode lijn zien, maar ook stappen kunnen bedenken om hiernaar toe te werken, waardoor er ook nauw samengewerkt moet worden met de cognitieve EF’s. Omdat de linkerhersenhelft beter is in het stappen bedenken dan de rechterhersenhelft, kan het zijn dat het moeilijk is om motivatie voor iets op te brengen. Maar door het minder goed overzien van de stappen (te vluchtig of te makkelijk denken over de weg naar het doel), kan men ook juist erg gemotiveerd zijn. Wanneer men erg gemotiveerd is, kan het zeer teleurstellend zijn wanneer het doel niet bereikt wordt, omdat het niet loopt zoals gedacht (de stappen kloppen niet of het eindresultaat is anders dan bedacht).
De emotieregulatie kan lastig zijn doordat de sterker ontwikkelde rechterhersenhelft gericht is op emoties. De emoties worden vaak heftiger ervaren dan bij andere mensen. Dat betekent ook dat de regulatie moeilijker wordt. Wanneer dan ook nog alles even hard of zacht binnenkomt door de verstoorde informatieverwerking, kan over- (of onder-)prikkeling ervoor zorgen dat er teveel tegelijk gebeurd, waardoor emoties minder goed in de hand gehouden kunnen worden.
Wanneer alle prikkels even hard binnenkomen en je moeite hebt om hoofd- en bijzaken te onderscheiden kan het lastig zijn om de situatie te overzien en wat voor invloed je eigen handelen heeft op de situatie. Het evalueren kan dan ook lastig zijn, hoewel veel autisten hier veelvuldig mee bezig zijn (zie Hoofdstuk 13 Het volwassen leven met ASS ).

Behalve moeilijkheden met de sensorische informatieverwerking, de emotionele EF’s en de asynchronische ontwikkeling van de hersenen, speelt communicatie een grote rol bij de sociaal-emotionele ontwikkeling. Wanneer de omgeving je de sociale vaardigheden aanleert en de daarbij horende emotieregulatie, is het handig wanneer je met elkaar kunt communiceren. Wanneer er moeilijkheden zijn met de communicatie heeft dit dus direct invloed op de ontwikkeling van de sociaal-emotionele vaardigheden.
Omdat dit deel van het boek voornamelijk over het neurobiologische deel van de ontwikkelingsgebieden gaat en de sociaal-emotionele ontwikkeling meer te maken heeft met aangeleerde vaardigheden dan het doorgeven, ontvangen en verwerken van informatie zoals het zenuwstelsel en de hersenen doen, wordt er hier niet verder op de communicatie en (sociale) contacten ingegaan. Deze onderwerpen komen in het volgende deel uitgebreid terug.

Naast de motorische, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling wordt er door sommigen gezegd dat er ook een morele ontwikkeling bestaat. Dit houdt in het besef tussen goed en kwaad, oftewel het geweten. Omdat de morele ontwikkeling aangeleerd wordt en veel van de sociale en emotionele vaardigheden vraagt, kun je het ook onder de sociaal-emotionele ontwikkeling scharen.
Kinderen worden niet geboren met een moreel besef. Door sociale omgang met anderen wordt het aangeleerd. Daarbij is het goede voorbeeld geven en veel uitleg door opvoeders heel belangrijk, evenals het stellen van grenzen. Daarnaast is het zich kunnen verplaatsen in anderen belangrijk alsmede zelfcontrole en kunnen inschatten welk gedrag bevorderlijk is voor zowel het eigen welzijn als de omgeving.

De sociaal-emotionele ontwikkeling, inclusief de morele ontwikkeling, is voor het grootste deel dus aangeleerd. Je kunt het sociale deel van de ontwikkeling niet los zien van de emotionele ontwikkeling, aangezien ze met elkaar verweven zijn. Problemen met de sociaal-emotionele ontwikkeling hebben minder direct met de stoornis te maken die lijkt te zorgen voor verstoringen in de sensorische informatieverwerking, de executieve functies, de scheefgroei van de hersenhelften en de communicatie. Ze zijn er eerder een gevolg van, voortkomend uit een verstoorde relatie met de omgeving door de stoornis.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende