Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, is communicatie dus essentieel voor het leggen en onderhouden van contacten met anderen. Iemand groeten in het park, verbaal of non-verbaal (zwaaien, knikje), is al contact hebben met een ander. En een praatje maken in de winkel is dat ook. Maar deze vormen van contact zijn vluchtig en hebben meestal geen diepgang.

Sociale contacten zijn contacten mét diepgang. Deze contacten zijn erg belangrijk voor mensen, omdat het samenhangt met het welzijn van een persoon. Sociale contacten kunnen contacten zijn met bijvoorbeeld familie, vrienden of collega’s. Goede sociale contacten hebben invloed op de mate van contentheid, van hoe gelukkig iemand is. Mensen die regelmatig sociale contacten hebben, blijken gelukkiger te zijn dan anderen. Maar dan moeten die sociale contacten wel betekenis hebben. Het gevoel dat iemand anders je begrijpt en dat je die ander kunt vertrouwen zijn hierbij heel belangrijk; eigenlijk veel belangrijker dan hoe vaak je de sociale contacten hebt. Om van vriendschap te spreken moeten de sociale contacten niet alleen het gevoel geven dat je iemand kunt vertrouwen en dat de ander je begrijpt, maar ook dat dit wederzijds is. Hierbij maakt het niet uit of het om familie, collega’s of buren gaat. Je kunt met al deze mensen een vriendschapsband hebben of opbouwen.

Mensen die dus kwalitatief goede sociale contacten hebben, zijn gelukkiger dan anderen en voelen zich, over het algemeen, niet eenzaam. Wanneer men geen kwalitatief goede sociale contacten heeft, kunnen gevoelens van eenzaamheid en ongelukkigheid ontstaan. Kwaliteit boven kwantiteit dus, want zelfs als iemand omringd wordt door anderen, kan men zich eenzaam voelen. Denk maar aan een feestje waar je bent, maar waar je niemand kent en je niet echt het gevoel hebt bij de groep te horen. Je voelt je een buitenstaander. Het kan je eenzaam doen voelen en meestal ben je dan niet zo gelukkig. Eenzaamheid is dus een gevoel en hoeft niets te maken te hebben met alleen zijn. Het is namelijk ook heel goed mogelijk om alleen te zijn en je niet eenzaam te voelen.
Een speciale manier van alleen zijn is het sociaal isolement. Dan leef je alleen, of met een groepje, in afzondering. Dit kan een bewuste keuze zijn (kluizenaar) of opgelegd door anderen (ballingschap of sekte). Je hoeft je in die situatie niet eenzaam en ongelukkig te voelen. Het hangt er helemaal van af hoe jij het zelf beleeft.

Wat wel opvalt is dat je steeds vaker in de westerse wereld hoort over mensen die zich eenzaam voelen. Mensen die meestal te midden van anderen wonen en leven. Vaak gaat het om oudere mensen of mensen met een ziekte of een verslaving of iets dergelijks die steeds minder sociale contacten met anderen hebben (het neemt af), waardoor ze steeds verder af komen te staan van mensen die hen begrijpen en die ze vertrouwen. Dit geeft dus minder contacten, zowel kwantitatief, maar ook kwalitatief.

Maar zelfs wanneer er sprake is van goede sociale contacten, kun je je nog eenzaam voelen. Het is, naast de kwaliteit, namelijk ook erg belangrijk dat je contacten hebt met gelijken. Gelijken begrijpen elkaar namelijk beter. Ouderen bijvoorbeeld waarvan alle vrienden, familie en buren van dezelfde generatie zijn overleden, kunnen het gevoel hebben eenzaam te zijn, ondanks de goede sociale contacten met vrienden, familie en buren die jonger zijn. Het gevoel te hebben de enige te zijn (binnen de sociale contacten) die iets beleeft (ouderdom, ziekte, stoornis enz.) kan ook een gevoel van eenzaamheid geven. De goede sociale contacten die er zijn, kunnen dan toch beleefd worden als kwalitatief minder dan wanneer er sociale contacten met gelijken zijn.

Sociale media kunnen een manier lijken om minder eenzaam te worden, maar vaak zijn de contacten niet van dien aard dat men een goede vertrouwensband op kan bouwen en men het gevoel heeft door anderen begrepen te worden. Het kan het gevoel van eenzaamheid zelfs versterken. Hoewel het voor sommigen ook een manier is om met gelijken (lotgenoten bijvoorbeeld) in contact te komen en zo het gevoel van eenzaamheid juist te verminderen.

Om goede sociale contacten aan te gaan en te onderhouden is het van belang dat er in de (vroege) jeugd een goede basis is gelegd voor het aangaan van sociale contacten. Mensen die in de jeugd minder vertrouwen op hebben kunnen bouwen met anderen en minder vaak het gevoel hebben gekregen begrepen te worden, kunnen meer moeilijkheden hebben om goede sociale contacten aan te gaan en/of te onderhouden (zoals bij mensen met een hechtingsstoornis of -probleem).

De voorwaarden om goede sociale contacten aan te kunnen gaan liggen voor een deel binnen jezelf en voor een deel erbuiten. Er zijn natuurlijk heel veel factoren die een rol spelen bij het ontwikkelen van behendigheid in het leggen van contacten, maar hieronder worden een paar belangrijke factoren er uitgelicht en besproken, namelijk: de pro-sociale vaardigheden, de opvoeding en het contact met gelijken.
De pro-sociale vaardigheden zijn vaardigheden die het aangaan van relaties bevorderen doordat het anderen een goed gevoel geeft waardoor ze sociale interactie aan willen gaan. Het zijn vaardigheden als: hulpvaardigheid, je kunnen conformeren aan de regels, vriendelijkheid en om anderen denken. Wanneer de ander door deze vaardigheden bereid is om contact te leggen en sociale interactie wil aangaan, zijn verdere pro-sociale vaardigheden noodzakelijk; ook wel de pro-sociale interactie vaardigheden genoemd. Dit zijn vaardigheden als: het kunnen delen en beurt afwachten, overleggen, om kunnen gaan met uitgestelde aandacht, oplossingsvermogen hebben, jezelf tot rust kunnen brengen (niet meteen boos worden bijvoorbeeld), de eigen emoties begrijpen, het begrijpen van de gevoelens van de ander, niet impulsief zijn en oogcontact kunnen maken. Dat zijn een heleboel vaardigheden voorafgaand aan goed contact kunnen leggen en goede sociale interactie kunnen hebben. Sommige vaardigheden hebben met de eigen persoonlijkheid te maken, maar veel van deze vaardigheden worden ook aangeleerd in de vroege jeugd wanneer het kind er, over het algemeen, ontvankelijk voor is.
Meestal zijn het de ouders (lees: ouders, familie en/of verzorgers) van wie het kind de meeste pro-sociale (interactie) vaardigheden leert, omdat de eerste sociale contacten die een kind heeft meestal contacten met de ouders zijn. Het is van belang dat er een goede affectieve (liefdevolle) relatie kan worden opgebouwd met de ouders. Het opbouwen van een goede affectieve relatie hangt van veel factoren af, maar voor een groot deel ook van de manier van opvoeden. De opvoedstijl die het beste lijkt te werken om een goede affectieve relatie op te kunnen bouwen tussen ouder en kind is een autoritatieve/democratische opvoedstijl waarbij duidelijkheid wordt geboden door regels te stellen en die consequent te hanteren en waarbij de gevoelens en ideeën van zowel de kinderen als de ouders worden gerespecteerd. Het herkennen en erkennen van elkaars gevoelens en ideeën en deze als waardevol beschouwen en willen ondersteunen zijn daarbij erg belangrijk. Een positieve affectieve relatie met de ouders is van belang bij het vormen van de eigen identiteit en het gevoel van eigenwaarde.

Een belangrijk onderdeel van het aanleren van de benodigde vaardigheden voor goed sociaal contact gebeurt door het imiteren. In eerste instantie is dat het imiteren van de ouders. Wanneer het kind de ouder nadoet, stimuleert het de ouders om nog meer contact te leggen met het kind en het nog meer uit te dagen tot imiteren. Het stimuleert een wederzijdse interesse in elkaar. Het kind leert hoe het zich moet gedragen door imitatie.
In eerste instantie is dat dus met de ouders, maar later vooral ook met leeftijdsgenootjes. Leeftijdsgenootjes imiteren vaak elkaars gedrag. Wanneer kinderen elkaars gedrag imiteren, wordt het ervaren als een bevestiging dat dat gedrag juist is. Leeftijdsgenootjes zijn in veel opzichten elkaars gelijken. Ze zijn van dezelfde generatie en bevinden zich meestal in dezelfde ontwikkelingsfase. Wanneer die gelijken elkaar dan ook nog begrijpen en vertrouwen, is de basis gelegd voor vriendschap. Het is belangrijk om door je gelijken geaccepteerd te worden. Want door geaccepteerd te worden, wordt de eigenwaarde bevestigd.
Wanneer een andere ontwikkeling gevolgd wordt dan gebruikelijk kan het het gevoel dat leeftijdsgenootjes gelijken zijn, wegnemen. Het kan leiden tot het niet geaccepteerd worden door leeftijdsgenootjes en het gevoel van eigenwaarde doen kelderen. Dan kan het erg belangrijk zijn om lotgenotencontact te hebben, kinderen die wellicht niet dezelfde leeftijd hebben, maar die wel eenzelfde andere ontwikkeling doormaken. Deze lotgenoten zijn dan de gelijken die het kind nodig heeft om geaccepteerd te worden en de eigenwaarde intact te laten.
Een speciaal soort gelijken zijn de broers en zussen, de zogenoemde brusjes. Brusjes zijn zowel familie als gelijken wat hen een bijzondere positie geeft. De leeftijd komt niet altijd helemaal overeen en de ontwikkeling ook niet altijd, maar ze hebben meestal wel dezelfde achtergrond en dezelfde opvoeding. Over het algemeen wonen brusjes het grootste deel van de jeugd bij elkaar en blijven vaak hun hele leven met elkaar in contact en, tot op zekere hoogte, onderdeel van elkaars leven. Brusjes kunnen veel van elkaar leren op sociaal gebied. Ze oefenen met elkaar in het samen spelen, ruzie maken, onderdeel van een groep uitmaken (gezin), zich van anderen onderscheiden waardoor je je identiteit verder ontwikkelt (door anders te willen zijn dan je brusjes) en ga zo maar door.
Je spiegelen aan gelijken, zowel leeftijdsgenootjes, lotgenoten of brusjes, is heel belangrijk in het ontwikkelen van de eigen identiteit en het leren omgaan met anderen wat van invloed is op het geaccepteerd worden door gelijken of niet.

Door een vertrouwensband op te hebben kunnen bouwen met de ouders, het aanleren van de pro-sociale vaardigheden in de jeugd en het oefenen van deze vaardigheden met gelijken, vormt men zich een identiteit en een gevoel van eigenwaarde waardoor iemand zijn eigen bedoelingen en emoties leert kennen. Door het kennen van de eigen bedoelingen en emoties worden ook de intenties en emoties van anderen herkend en begrepen. Dit laatste wordt ook wel de Theory of Mind genoemd, de ToM (zie Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme). Wanneer de pro-sociale vaardigheden zijn geleerd, zal sociale interactie over het algemeen positiever verlopen wat goede sociale contacten bevordert en het welzijn van de persoon in kwestie.
Wanneer er in dit proces van vertrouwen opbouwen, imiteren, aanleren van vaardigheden, oefenen en spiegelen iets misgaat, kan dat grote gevolgen hebben voor het aanleggen en onderhouden van goede sociale contacten wat weer gevolgen heeft voor het vormen van de eigen identiteit, het gevoel van eigenwaarde en het welzijn.
Geaccepteerd worden door gelijken heeft een positief effect op het hebben van goede sociale contacten, doordat de vaardigheden gespiegeld en geoefend kunnen worden en ingezet in verder sociaal contact. Het bevordert het vormen van de eigen identiteit, het gevoel van eigenwaarde en het welzijn.
Het aanleggen, opbouwen en onderhouden van sociaal contact kan gezien worden als een spiraal, waarbij het een spiraal kan zijn die negatief, neerwaarts, gaat of positief, opwaarts. Het is zaak om een positieve spiraal te hebben (of proberen te creëren) om zo een stabiele persoonlijkheid te vormen die goed sociaal contact heeft met gelijken.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende