In de vorige hoofdstukken is naar voren gekomen hoe belangrijk communicatie, sociale interactie en goede sociale contacten zijn voor het opbouwen van een eigen identiteit en het gevoel van eigenwaarde, wat weer essentieel is voor het welzijn van een mens.
In dit hoofdstuk komen zaken naar voren die het welzijn van een mens negatief beïnvloeden en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn.

Allereerst wordt er gekeken naar stress en angst. Iedereen ervaart wel eens stress en heeft wel eens angstgevoelens. Dat is heel normaal. Het zorgt ervoor dat je in bepaalde situaties alerter bent en snel kunt reageren. Stress en angst hebben veel overeenkomsten. Er wordt bij allebei adrenaline aangemaakt in het lijf. Adrenaline is een hormoon en een neurotransmitter. Een neurotransmitter is een stof die zorgt dat zenuwprikkels ontvangen en verzonden worden. Het zorgt ervoor dat je bloed sneller rondgepompt wordt, dat je ademhaling sneller gaat, je bloeddruk stijgt en je pupillen groter worden (om meer informatie op te kunnen nemen) en dat je spieren aanspannen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer er een gevaarlijke situatie optreedt of ervaren wordt. De reactie van het lichaam zorgt ervoor dat je lijf klaar is om snel te reageren door te vechten of te vluchten. Dit is belangrijk om te kunnen overleven. Stress, angst en de daarbij gepaard gaande adrenaline zijn dus noodzakelijk en nuttig voor een mens ingeval er een gevaarlijke situatie optreedt.
Maar niet alleen bij een gevaarlijke situatie ontstaat er een stress- of angstreactie, maar ook bij alledaagse dingen kunnen deze reacties ontstaan, zoals bij het laten vallen van een kopje. In dat geval zul je zelden zeggen dat je een stress- of angstreactie had, maar eerder dat je schrok. In feite gebeurt er bij schrikken hetzelfde met je lichaam als bij angst en stress, namelijk dat je een stoot adrenaline krijgt waardoor het hart sneller klopt en dergelijke. Alleen duurt het bij schrikken minder lang en wordt het minder intens ervaren.
Stress en angst lijken dus erg op elkaar, maar zijn toch anders omdat de oorzaak anders is. Bij stress weet je vaak waar het vandaan komt, bijvoorbeeld tijdsdruk waarbij iets op tijd af moet. Het heeft meer te maken met zenuwen en frustratie. Je hebt meestal nog wel het gevoel enigszins controle over de situatie te hebben. Maar bij angst ben je je niet altijd bewust van de directe oorzaak, bijvoorbeeld wanneer je door een donker steegje loopt en er zo op het eerste oog geen direct gevaar is. Het angstige gevoel is echter niet minder wezenlijk en je kunt het omschrijven als onrust, zorgen, vrees, maar vooral ook hulpeloosheid. Het gevoel dat het buiten je macht ligt om er iets aan te doen. Daarom heeft angst een heftiger impact dan stress. Behalve wanneer stress langdurig is. Dan ben je te lang gespannen en kun je lichamelijke klachten krijgen en heeft het invloed op de werking van de hersenen, met name op het gebied van het geheugen.

Er gebeurt sowieso heel wat in de hersenen bij het beleven van een gevaarlijke situatie. Tijdens een gevaarlijke situatie krijg je veel informatie binnen. Het lijkt of de tijd stilstaat en je bent extra alert, dus je neemt extra informatie op. De informatie tijdens zo’n gevaarlijke gebeurtenis waarbij angstgevoelens ervaren worden wordt opgeslagen in de hersenen, zodat zo’n gevaarlijke situatie een volgende keer eerder herkend wordt en je nog sneller klaar bent om te reageren.
De informatie wordt opgeslagen in de amygdala. De amygdala zijn amandelvormige kernen van neuronen (de amygdala wordt daarom ook wel amandelkern genoemd). De amygdala legt verbanden tussen sensorische informatie en emoties en wordt daarom gezien als het geheugen voor emoties. De amygdala heeft sterke verbindingen met de ventromediale prefrontale cortex en de orbitofrontale cortex. Dit zijn onderdelen van de prefrontale cortex waar zich ook de EF’s (executieve functies) bevinden (zie Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling ) en dan met name die delen waar de emotieregulatie plaatsvindt (zie Hoofdstuk 17 Sociaal-emotionele ontwikkeling). Door de amygdala staat de sensorische informatie dus in directe relatie met het beleven van emoties. De sensorische informatie bepaalt daardoor in feite de emotie die gevoeld wordt. En emoties bepalen op hun beurt weer het gedrag; bij angst reageer je anders dan bij blijdschap. De amygdala heeft daarom invloed op het gedrag. Dit alles gebeurt zeer snel en gaat automatisch. Je bent je niet bewust van deze processen. Het schijnt dat des te harder de amygdala werkt, des te minder goed de emotieregulatie in de prefrontale cortex werkt.
De amygdala speelt dus een belangrijke rol bij het leren herkennen van een situatie en het leren reageren op een situatie. Wanneer er problemen ontstaan met de amygdala (door bijvoorbeeld een ongeluk) kan men meestal minder goed of helemaal niet meer herkennen of een situatie gevaarlijk is of niet.

Kinderen weten bij de geboorte nog niet welke situaties gevaarlijk zijn en welke niet en hoe ze daarop moeten reageren. Dit leren ze meestal van hun directe omgeving. Ze leren of een situatie veilig is of niet en wat ze dan kunnen doen.
Soms geven ouders hierbij ongewild bepaalde angsten door. Bijvoorbeeld wanneer iemand erg bang is van spinnen, kan dit angstige gevoel onbedoeld aangeleerd worden aan kinderen. Zelfs wanneer er geen reden is om bang te zijn voor spinnen, omdat er geen giftige spinnen voorkomen in het land waar zij wonen, kan de angst voor spinnen ontstaan door de angst van de ouder aan te leren en over te nemen. Er hoeft dus niet direct een gevaarlijke situatie te zijn om mensen angst te laten ervaren.
Maar het kan ook voorkomen dat je wel degelijk iets traumatisch hebt meegemaakt waardoor je bang bent geworden voor iets. Wel kan die angst onevenredig groot zijn. Bijvoorbeeld het bang zijn voor alle mensen met een bivakmuts, omdat je een bankoverval hebt meegemaakt waarbij de overvaller een bivakmuts droeg.
Daarnaast zijn er mensen die risico’s moeilijk in kunnen schatten, waardoor er angst kan ontstaan voor dingen waar je in feite niet bang voor hoeft te zijn, zoals vliegen in een vliegtuig. De vliegtuigongelukken worden altijd groot uitgemeten in de media, waardoor er angst kan ontstaan. Wanneer je risico’s moeilijk in kunt schatten of minder goed kunt relativeren heb je bijvoorbeeld geen moeite om in een auto stappen, maar wel in een vliegtuig, terwijl er meer ongelukken gebeuren met auto’s en autorijden dodelijker is dan vliegen.
Ook zijn er zeer creatieve mensen die heel goed oplossingen en problemen kunnen bedenken. Mensen die oplossingen bedenken, zijn vaak ook erg goed in het bedenken van problemen. Je hebt namelijk een probleem nodig om tot een oplossing te komen. Problemen en oplossingen gaan dus hand in hand. Mensen die goed zijn in oplossingsscenario’s en probleemscenario’s bedenken, kunnen ook meer stress en angst ervaren. Deze mensen zien vaak al iets misgaan, voordat het daadwerkelijk gebeurt. Er zijn veel mensen die dat af en toe wel eens hebben, bijvoorbeeld wanneer je je kind in volle vaart van de schommel af ziet springen. Je ziet dan als het ware voor je dat ze zich gaan bezeren, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Maar er zijn ook mensen die dat heel vaak hebben en dus veel sneller ergens het gevaar van inzien. Deze mensen ervaren dus meer en eerder stress en/of angst.

Er zijn dus best veel manieren waardoor mensen vatbaarder kunnen zijn voor stress of angst. Mensen die langdurige stress of angst ervaren bij bepaalde situaties (of die stress en angst nu gegrond is of niet), zullen die situaties vaak gaan vermijden of ontwijken. Door het vermijden of ontwijken wordt er niets met de angst voor die situatie gedaan en zal de angst over het algemeen alleen maar toenemen. Het kan je dagelijkse leven en je levensvreugde erg beïnvloeden. Het is daarom heel belangrijk om angstgevoelens aan te pakken. Het achterhalen van de oorzaak is daarbij het allerbelangrijkst. Je realiseren waar de angst vandaan komt is vaak al een grote stap. Meestal hebben mensen hier hulp bij nodig, want wanneer je lange tijd angst hebt gehad is het niet altijd meer duidelijk waar het precies vandaan is gekomen. Bijvoorbeeld: angst voor mensen met bivakmutsen. Tijdens de overval is er onbewust opgemerkt dat de overvaller een bivakmuts droeg. Je bent je er niet bewust van geweest, doordat er zeer veel informatie tegelijk op je af kwam. De bivakmuts is echter wel opgeslagen in de amygdala. De angst voor mensen met bivakmutsen wordt in dit geval niet direct met de overval in verband gebracht, terwijl dat wel de feitelijke oorzaak is. Wat over is gebleven is een ongegrond geachte angst voor alle mensen met een bivakmuts op. Wanneer niet duidelijk is wat de echte oorzaak is en men zich alleen op de symptomen richt, kan het angstgevoel niet goed aangepakt worden en kan het zelfs erger worden. Wanneer je de oorzaak hebt achterhaald en je rationeel kunt beredeneren waarom je voor die situatie (tegenkomen van mensen met bivakmutsen) geen angst zou hoeven hebben (zij zijn geen overvallers), kun je vaak al veel angst weghalen.

Bij autisten spelen gevoelens van stress en angst vaak een grote rol in het leven (zie deel 3). Door onzekerheid, gevoelens van falen en minder goede sociale contacten, kunnen stress en angst ontstaan. Situaties mijden of ontwijken die stress of angst opleveren is niet of nauwelijks mogelijk (en ook niet per se wenselijk). De stressvolle of beangstigende situaties zijn namelijk vooral alledaagse maatschappelijke situaties, zoals boodschappen doen of naar school of werk toe gaan en dergelijke.
Autisten vinden het vaak moeilijk om sociale situaties in te schatten en/of een gepaste reactie te geven. Iedere situatie kan namelijk op veel verschillende manieren verlopen, waardoor je moeilijk kunt anticiperen hoe deze zal verlopen. Zelfs al lijken sommige situaties op elkaar, ze verlopen nooit helemaal hetzelfde. Vaak is er al veel ervaring opgedaan met het verkeerd inschatten van een situatie of te rigide toepassen van de sociale regels waardoor situaties scheef liepen. Dit zal in ieder geval een mate van stress hebben gegeven en wellicht zijn er ook angstgevoelens beleefd. Vaak hebben autisten het gevoel geen grip te hebben (gehad) op een situatie, waardoor eerder gevoelens van angst dan van stress kunnen worden ervaren.
Van situaties die als stressvol ervaren waren of waarbij angst is beleefd, zijn er hoogstwaarschijnlijk bepaalde details in de amygdala opgeslagen. Wat die details precies zijn, is moeilijk te achterhalen, maar wanneer die bepaalde details weer (onbewust) herkend worden door de amygdala, zal het stress of angst veroorzaken bij de persoon. Ongeacht of die stress of angst gegrond is.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat autisten regelmatig vóór een gebeurtenis (borrel, schoolfeest, werkoverleg, een bepaalde les enz.) vele scenario’s bedenken over hoe het zou kunnen verlopen. Autisten zijn meestal erg creatief en kunnen veel dingen bedenken. Zij zijn daarom vaak goed in het vinden van oplossingen waar anderen nog niet aan gedacht hebben. Dit betekent dat zij meestal ook goed zijn in het bedenken van probleemscenario’s. Met het vaak moeilijker omgaan met sociale situaties, het vaak goed zijn in probleemscenario’s bedenken, het regelmatig beleven van angstgevoelens door het gevoel geen grip op de situatie te hebben en onbewuste informatie die opgeslagen is in de amygdala waardoor er meer stress en angst kan ontstaan, hebben veel autisten over het algemeen meer en vaker last van stress- en angstgevoelens dan de meeste andere mensen.
Het schijnt dat bij autopsie van enkele autisten gezien werd dat hun amygdala’s groter waren dan gemiddeld. Omdat het hier om slechts een paar autopsies gaat, is het moeilijk in te schatten of het iets te betekenen heeft. Er wordt geopperd dat autisten allemaal een vergrote amygdala zouden kunnen hebben en dat ze daarom eerder angstgevoelens zouden kunnen ervaren, maar dit is helemaal niet zeker. Het is wellicht ook mogelijk dat het omgekeerde het geval is en dat de amygdala vergroot was door het vaker ervaren van angstgevoelens. Of het was toeval. Er is hier namelijk nog weinig concreets over bekend.

Wanneer er veel stress en/of angst wordt ervaren in het leven, kan het zorgen voor een ophoping van bepaalde stoffen in het lijf. Er wordt vaak meer cortisol (stresshormoon, aangemaakt door de bijnieren) gevonden in het bloed. Nadat het lichaam adrenaline heeft aangemaakt om een potentiële gevaarlijke of stressvolle situatie het hoofd te kunnen bieden, wordt er cortisol aangemaakt. Cortisol zorgt ervoor dat de pijngrens hoger wordt, dat je bloedsuikerspiegel verhoogd wordt en dat er insuline wordt aangemaakt, zodat je lijf de situatie langer vol kan houden.
Naast de adrenaline en de cortisol, speelt ook het hormoon en tevens neurotransmitter serotonine een grote rol. Serotonine is de stof die belangrijke informatie doorgeeft en lichamelijke processen regelt, zoals bijvoorbeeld honger, verzadiging, slaap, temperatuur, geheugen, seksuele activiteit, pijn, gedrag, stemming en het heeft invloed op het leren. Het is dus een belangrijke stof voor de interoceptie (zie Hoofdstuk 18 Slapen, eten, zindelijkheid en interoceptie). Het heeft daarnaast ook een link met de prefrontale cortex waar de EF’s huizen (zie Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling en Hoofdstuk 17 Sociaal-emotionele ontwikkeling). Omdat het lijf niet zelf serotonine aanmaakt is het belangrijk dit uit de voeding te halen. Daarom is het ook belangrijk om regelmatig en gezond te eten en drinken (zie Hoofdstuk 18 Slapen, eten, zindelijkheid en interoceptie).
Maar tijdens een stressvolle of beangstigende situatie worden sommige lichaamsprocessen tijdelijk op een laag pitje gezet, zoals bijvoorbeeld het herstel van een wond, het verteren van eten en dat soort dingen. Er wordt dus minder informatie doorgegeven over die lichaamsprocessen. Dat betekent dat je op dat moment genoeg energie hebt om de situatie langere tijd het hoofd te kunnen bieden.
Maar wanneer de situatie erg lang duurt (weken, maanden) is het niet goed voor het lijf. Door de extra insuline die wordt aangemaakt voor extra energie kan het zorgen voor toename in gewicht. De adrenaline die langdurig aanwezig is, zorgt voor verhoogde, langdurige spierspanning en minder informatie over lichaamsprocessen. Dit heeft weer gevolgen voor de nachtrust, het seksleven, de spijsvertering, pijnklachten van de spieren (bv. spanningshoofdpijn), de bloeddruk (gaat vaak omhoog) en het kan zelfs verhoogde kans op hart- en vaatziekten en kanker geven. Doordat de energie in het lijf minder gericht is op het herstel, heeft het invloed op het immuunsysteem. Daardoor kun je vaker ziek worden.
Langdurige stress kan ook schade veroorzaken aan de hippocampus. De hippocampus ligt vlak naast de amygdala in de hersenen en heeft ook sterke verbindingen met de prefrontale cortex (waar de EF’s huizen). De hippocampus heeft te maken met navigeren, leren en context doordat het nieuwe informatie die te maken heeft met bepaalde feiten of gebeurtenissen opslaat in het geheugen. Het wordt ook wel het declaratieve geheugen genoemd (zie Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling ). Ook zorgt de hippocampus ervoor dat wanneer er veel cortisol is aangemaakt in verband met een stressvolle of beangstigende gebeurtenis, de aanmaak van cortisol na verloop van tijd weer wordt teruggeschroefd. En wanneer er minder cortisol wordt aangemaakt, kan het lijf zich weer gaan herstellen van de stressvolle situatie. Maar bij langdurige stress of angst blijft het cortisol niveau hoog en beschadigt zo de hippocampus. Wanneer er schade is aan de hippocampus heeft dat gevolgen voor het opslaan van nieuwe informatie van feiten of gebeurtenissen in het geheugen. En dus heeft het gevolgen voor het navigeren, leren en het plaatsen van gebeurtenissen in een context. Gelukkig kan de hippocampus zich wel weer herstellen, maar het herstel gaat langzaam en duurt erg lang. Een lange periode zonder stress of angst is daar dus voor nodig.

Er gebeurt dus heel wat met het lijf en de hersenen bij het langdurig ervaren van stress of angst. Het lijf en de psyche zijn nauw met elkaar verbonden en hebben invloed op elkaar.
Wanneer je moeite hebt om gebeurtenissen te verwerken, ervaar je langer gevoelens van stress. Des te langer je gevoelens van stress ervaart, des te meer lichamelijke ongemakken en klachten je krijgt. Wanneer je lichamelijk niet lekker in je vel zit, is het van invloed op hoe je de wereld om je heen beleeft. Het heeft invloed op je dagelijks leven en je levensvreugde. Bijvoorbeeld doordat het werk langdurig stress oplevert, kun je minder goed slapen en heb je weinig trek. Doordat je minder goed slaapt en je minder eet, heb je minder energie en wordt je sneller ziek. Je zit niet lekker in je vel en je bent sneller geïrriteerd. Je hebt geen zin meer om uit te gaan of iets te ondernemen. Daardoor heb je minder goede sociale contacten en kun je je ongelukkiger voelen en uiteindelijk depressief raken.

Gevoelens van stress en angst kunnen dus de levensvreugde beïnvloeden. Het kan zelfs zo ver gaan dat er een depressie ontstaat.
Een depressie kan ontstaan door verschillende factoren. Het kan te maken hebben met biologische, sociale en/of psychische factoren, maar ondanks dat er veel onderzoek is gedaan weten wetenschappers nog steeds niet precies waardoor iemand depressief wordt. Het is niet duidelijk waarom de ene persoon wel en de andere niet depressief raakt.
Het lijkt voor een deel samen te hangen met genetische factoren, met erfelijkheid dus. In sommige families komt namelijk meer depressiviteit voor dan in andere families.
Verder kunnen bepaalde (traumatische) gebeurtenissen zorgen voor depressiviteit. Het is per persoon verschillend hoe een bepaalde gebeurtenis wordt ervaren en hoe ermee wordt omgegaan.
Het verwerken van bepaalde (traumatische) gebeurtenissen is belangrijk. Hoe iemand dat doet is mede bepalend voor het verloop van de verwerking. Het hangt er daarbij van af of men kan relativeren, of er genoeg zelfvertrouwen is, of er makkelijk of juist moeilijk om hulp gevraagd kan worden, of er faalangst speelt, of het probleem oplossend vermogen groot is of juist klein enzovoort enzovoort. Het speelt allemaal een rol.

Sommige mensen geven aan dat positieve gedachten kunnen helpen bij het verwerken van gebeurtenissen. Uit onderzoek komt naar voren dat de linker prefrontale cortex in ons brein meer gericht is op positieve gedachten en de rechter prefrontale cortex meer gericht is op negatieve gedachten. Bij mensen die veel negatieve gedachten hebben, werd een vergrote activiteit aan de rechterkant van de prefrontale cortex gezien en een lage activiteit aan de linkerkant. Hierbij lijkt het op het trainen van spieren.
Wanneer je negatieve of positieve gedachten hebt, train je dat deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor de negatieve of positieve gedachten. Het wordt dan makkelijker om deze negatieve of positieve gedachten te hebben. En gedachten stellen verwachtingen aan wat gaat komen. Wanneer er bijvoorbeeld negatieve gedachten zijn, is het makkelijker negatieve verwachtingen te hebben over een te komen situatie, waardoor je al anders gaat reageren (lichamelijk en geestelijk) om je voor te bereiden op wat er verwacht wordt te gaan komen. Wanneer je bijvoorbeeld verwacht dat een gesprek niet fijn zal verlopen, kan je hart sneller gaan kloppen en zal je eerder kortaf (of zelfs defensief of agressief) reageren, wat het gesprek weer negatief beïnvloedt en de negatieve verwachting kan doen uitkomen. Daardoor wordt je weer gesterkt in het negatief denken en doen. Het is heel moeilijk dit patroon te doorbreken, zeker wanneer iemand depressief is. Alhoewel bewust worden van de situatie en het actief proberen om te veranderen soms kan helpen.
Maar wanneer iemand dat niet lukt, worden er ook wel antidepressiva voorgeschreven om zo de negatieve spiraal te doorbreken. De medicijnen hebben invloed op het serotoninegehalte. Dit gehalte gaat omhoog, zodat er weer meer informatie over lichaamsprocessen doorkomt wat het algehele herstel bevordert. Het onderdrukt tijdelijk, zolang de medicijnen worden ingenomen, de depressieve gevoelens. Wordt er echter niets gedaan met de onderliggende klachten, dan kan de depressie terugkomen wanneer er gestopt wordt met de medicatie.

Doordat autisten vaker en meer stress ervaren in hun leven, kan depressie eerder voorkomen. De meeste autisten ervaren wel een keer een depressie in hun leven, waarbij meestal ook suïcidale gedachten naar voren komen. Veel autistische kinderen hebben suïcidale gedachten en uiten dit ook regelmatig naar ouders toe. Dit geeft aan wat voor impact de stoornis heeft op hun leven.
Er kunnen verschillende zaken een rol spelen voor een autist bij het oplopen van een depressie.
Autisten die bijvoorbeeld last hebben met de interoceptie, zouden wellicht eerder last kunnen hebben van depressie, omdat de informatie van lichaamsprocessen dan al minder goed doorkomt. Hierdoor kunnen lichamelijke klachten ontstaan, zoals minder energie door te weinig slapen, eten en drinken. Dit is dan weer van invloed op hoe je je voelt en de wereld om je heen beleeft, wat weer kan zorgen voor neerslachtige gevoelens en depressiviteit. Ook verkeerde interpretaties van de informatie over de lichaamsprocessen kunnen hierbij een rol spelen.
Daarnaast kunnen de manier van omgaan met en het verwerken van gebeurtenissen een rol spelen. Veel autisten hebben bijvoorbeeld faalangst of minder zelfvertrouwen of kunnen minder op hulp van buitenaf rekenen, wat het goed verwerken van gebeurtenissen in de weg staat en dus kan zorgen voor depressiviteit.
En wanneer er gekeken wordt naar de theorie van de asynchronische ontwikkeling van de hersenen, dan is het ook nog mogelijk dat de meer ontwikkelde rechterhersenhelft meer kans geeft op negatieve gedachten, waardoor er meer kans is op het negatief beleven van situaties die anderen niet als negatief ervaren. Dit kan als gevolg hebben dat er meer negatieve verwachtingen zijn en meer negatieve ervaringen worden beleefd wat meer stress oplevert. Ook kan dit ervoor zorgen dat er meer negatieve situaties verwerkt moeten worden. Het is van invloed op de werking van de amygdala en de emotieregulatie alsook de hippocampus (oftewel het declaratieve geheugen).
Vooral wanneer er langdurig spanning wordt ervaren door de autist, kan het schade berokkenen aan de hippocampus waardoor er moeite met leren, navigeren en het plaatsen van gebeurtenissen in een context kunnen ontstaan. Hoewel problemen met de EF’s er ook voor zouden kunnen zorgen dat er veel spanning wordt opgebouwd wat weer van invloed is op de hippocampus.
Er moet nog veel onderzoek gedaan worden om hier meer duidelijkheid in te krijgen, maar er lijken in ieder geval vele redenen te zijn waardoor autisten vaker te maken zouden kunnen krijgen met een depressie.

Depressie zorgt er dus voor dat je gebeurtenissen in een negatief daglicht ziet. Het is van invloed op hoe je in het leven staat. Je kijkt anders tegen jezelf, anderen en de omgeving aan. Het beïnvloedt je gevoel van eigenwaarde en je zelfbeeld.
Het gevoel van eigenwaarde geeft aan hoe je over jezelf denkt. Het geeft aan hoeveel je zelf denkt dat je waard bent. Het gaat hierbij altijd om een vergelijking. Een vergelijking met hoe je zou willen zijn en wie je eigenlijk bent. De balans dus tussen het ideale zelf en het feitelijke zelf.
Het zelfbeeld is hoe iemand naar zichzelf kijkt. Het zijn de gedachten, ideeën en oordelen die iemand over zichzelf heeft. Deze hoeven niet reëel te zijn.
Depressie zorgt er dus voor dat je eerder vergelijkingen maakt met een negatieve uitkomst ten opzichte van jezelf en dat je eerder negatieve gedachten, ideeën en oordelen hebt over jezelf. Het maakt dat je jezelf minder waard voelt dan anderen en dat je een laag zelfbeeld hebt.
Vroeger werd het gevoel altijd tekort te schieten en minder waard te zijn dan anderen een minderwaardigheidscomplex genoemd. Tegenwoordig wordt het minderwaardigheidsgevoel genoemd. Door het gevoel tekort te schieten, ben je ook eerder geneigd schaamte en schuld te voelen, omdat je niet voldoet aan de verwachtingen. Je verwacht ook dat anderen jou minderwaardig vinden. Mensen met een minderwaardigheidsgevoel hebben vaak last van angstgevoelens met alle daarbij gepaard gaande lichamelijke processen als hartkloppingen, uitbrekend zweet en dergelijke.
Mensen die niet depressief zijn, maar zich wel minderwaardig voelen, kunnen daardoor juist depressief gaan worden. Het een beïnvloedt het ander en andersom.

De basis voor het gevoel van eigenwaarde en het zelfbeeld wordt al in de jeugd gelegd. Wanneer er sprake is van een laag gevoel van eigenwaarde en een laag zelfbeeld, kan dat bijvoorbeeld komen doordat kinderen soms een ideaal beeld hebben van hoe ze zouden moeten zijn dat niet reëel is. Ze kunnen er niet aan voldoen.
Hoewel het ook kan voorkomen dat ouders te hoge eisen stellen aan het kind, waar het kind niet aan kan voldoen. Dan wordt ook het zelfbeeld en het gevoel van eigenwaarde aangetast.
Daarnaast is het ook mogelijk om een laag zelfbeeld te ontwikkelen doordat iemand bijvoorbeeld gepest wordt. Het kind krijgt dan veelvuldig signalen van anderen dat het niet goed genoeg is, dat het minder waard is dan anderen (zeker dan de pesters zelf).
Natuurlijk kan ook het regelmatig beleven van negatieve situaties waarbij je hebt gefaald, van invloed zijn op de zelfbeleving en de eigenwaarde.

Niet alleen kinderen, maar ook volwassenen kunnen ook een minderwaardig gevoel ontwikkelen doordat er te hoge eisen gesteld worden. Dit kan doordat zij (in een bepaalde periode van hun leven) zelf hoge eisen stellen bijvoorbeeld: “Ik moet werken, het huishouden doen, voor de kinderen zorgen, een goede partner zijn, sociaal vaardig zijn” enzovoort of doordat er hoge eisen gesteld worden door bijvoorbeeld een werkgever.
Daarnaast hebben de media een enorme invloed op het gevoel van eigenwaarde, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Het laat vaak een ideaalplaatje zien, waar maar weinig mensen aan kunnen voldoen. In de media komen er vooral succesverhalen aan het licht en er worden mensen getoond die op dat moment mooi worden gevonden of iets uitzonderlijks kunnen. De media geven over het algemeen geen reëel beeld van hoe de samenleving in elkaar zit en hoe mensen in elkaar zitten. Dit vertekenende beeld kan irreële verwachtingen scheppen van mensen aan zichzelf, maar ook aan anderen en de omgeving.
Het is heel moeilijk om uit minderwaardige gevoelens te komen, doordat je je sterke kanten kunt beredeneren, maar het diep van binnen niet zo kan voelen en geloven. Het voelen en geloven kan pas wanneer positieve ervaringen beleefd worden die stroken met de sterke kanten die beredeneerd worden. Dus wanneer de feitelijke beeldvorming bevestigd en daarmee reëel wordt.

Er zijn veel autisten met een laag gevoel van eigenwaarde, een laag zelfbeeld en/of minderwaardigheidsgevoelens. De reden waardoor dit is gekomen verschilt per persoon, maar in ieder geval zijn er wel een aantal dingen die de meeste autisten hebben meegemaakt of nog meemaken.
In de jeugd worden er (ongewild) vaak te hoge eisen aan autisten gesteld, doordat men verwacht dat zij de wereld beleven zoals de meeste anderen dat doen en zij eenzelfde ontwikkeling door zullen maken als andere kinderen, terwijl dit niet het geval is. Dit kan leiden tot gevoelens van onzekerheid, stress, angst, depressie, suïcidale gedachten enzovoort. Zij kunnen niet aan de verwachtingen van de omgeving voldoen.
Ook worden veel autistische kinderen gepest. Door het pesten wordt het gevoel gegeven dat zij niet goed genoeg zijn en niet mee kunnen komen met de rest.
Op school of het werk worden vaak eisen gesteld die niet altijd goed passen bij de autistische persoon. Hierdoor kan de druk (te) hoog worden en kan er een gevoel van falen ontstaan.
Normaal- tot hoogbegaafde autisten hebben heel goed in de gaten dat zij niet voldoen aan de neuro-typische normen, waardoor zij zich een ideaal beeld vormen over hoe ze zouden moeten zijn, maar waar zij niet aan kunnen voldoen.
En natuurlijk hebben de media ook een effect op autisten, net als bij iedereen.
Daarnaast heeft ook het stigma van het hebben van een diagnose ASS veel invloed op de eigenwaarde. De meeste mensen zien autisme namelijk nog steeds als iets negatiefs, bijvoorbeeld: wanneer je autistisch bent, ben je … en doe je … (zie Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme). Er lijkt iets mis met je te zijn.
Het is dus niet verwonderlijk dat autisten vaak het gevoel hebben minder waard te zijn ten opzichte van andere mensen. Zij krijgen vaak hun hele leven te horen dat zij het niet goed doen en ze hebben dit regelmatig ook zelf ervaren (bijvoorbeeld sociale flaters), waardoor het heel moeilijk is om een goed zelfbeeld en gezond gevoel van eigenwaarde op te bouwen en te beleven.

Veel autisten ervaren dus stress, angst, depressie en/of minderwaardigheidsgevoelens in hun leven. Dit kan verschillende oorzaken hebben, maar negatieve ervaringen door het niet kunnen voldoen aan de neuro-typische norm spelen er meestal wel een rol bij.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende