Wanneer we naar autisme kijken is het belangrijk om ook naar de verschillen tussen mannen en vrouwen te kijken. Deze verschillen zijn namelijk belangrijk bij het vaststellen van autisme. Autisme werd, en wordt nog steeds, vaker bij jongens en mannen vastgesteld dan bij meisjes en vrouwen. Dit komt voor een groot deel doordat Hans Asperger alleen maar jongens en Leo Kanner meer jongens dan meisjes die bepaalde overeenkomende kenmerken hadden (en die we nu relateren aan ASS), hebben onderzocht. Daardoor zijn bepaalde kenmerken beschreven die, over het algemeen, beter bij jongens met ASS passen dan bij meisjes met ASS. Bij veel vrouwen is er daardoor vroeger eerder een diagnose als persoonlijkheidsstoornis of MBD (Minimal Brain Damage) uit onderzoeken naar voren gekomen dan ASS. Doordat men nu veel meer weet over ASS en hoe ASS tot uiting komt bij meisjes, wordt er bij meisjes en vrouwen wel vaker ASS vastgesteld dan vroeger, maar toch wordt het vaak nog niet (h)erkend.

Verschillen tussen mannen en vrouwen zijn niet alleen van fysieke aard, ook hoe zij reageren op bepaalde situaties is veelal anders. Prominente verschillen die vaak worden genoemd liggen meestal op het gebied van de emotie en het sociaal gedrag. Er wordt dan gezegd dat vrouwen emotioneler en socialer zijn dan mannen. Vrouwen zouden makkelijker over hun gevoelens praten dan mannen en zij zouden meer op anderen gericht zijn. Het is meestal belangrijk voor vrouwen dat zij door anderen aardig gevonden worden. Vrouwen worden eerder als coöperatief gezien en zijn meer gericht op contact en samenwerking. Mannen zouden minder makkelijk over hun gevoelens praten. Zij zouden eerder boos of agressief worden dan vrouwen. Ook worden zij eerder in verband gebracht met zaken als competitie en hiërarchie, waarbij een rangorde van de sterksten over het algemeen wordt aangehouden.
Omdat deze stereotiepe opsommingen de meeste mensen wel bekend voorkomen en onderzoekers zich al lange tijd hebben afgevraagd waardoor de verschillen komen, zijn er verschillende theorieën over bedacht en zijn er diverse onderzoeken naar gedaan. Hieronder worden een aantal daarvan beschreven.

In de jaren ‘60 werd gedacht dat de manier van opvoeden de reden was waarom kinderen meer mannelijke of vrouwelijke eigenschappen kregen. Wanneer je meisjes op zou voeden als zijnde jongens, dan zouden ze grotere interesse tonen in meer ‘mannelijke’ onderwerpen en beroepen en andersom. Tegenwoordig zijn er nog steeds wetenschappers die van mening zijn dat de manier van opvoeden bepalend is. Natuurlijk heeft de omgeving en de opvoeding invloed op het ontwikkelen van de persoonlijkheid en het gedrag. Hoewel dat, volgens velen, niet de enige reden is waarom jongens en meisjes anders reageren en andere interesses hebben. Er spelen waarschijnlijk ook andere factoren een rol.

Sommige onderzoekers menen dat de verschillen zijn ontstaan vanuit de evolutie. Omdat mannen van oudsher voor de kost zorgden en vrouwen voor het huishouden en de kinderen, zijn er verschillen ontstaan in hormoonhuishouding die die stofjes aanmaken die nuttig waren voor bijvoorbeeld het jagen of juist het zorgen.

Andere onderzoekers zijn het niet eens met deze zogeheten evolutiepsychologie, maar zijn wel van mening dat het hormoon testosteron mede bepalend is voor de verschillen tussen mannen en vrouwen. Terwijl de zaadcel bepaalt of het kind een jongen of meisje wordt, is testosteron tijdens de zwangerschap wel mede bepalend voor een meer mannelijke of vrouwelijke ontwikkeling van het kind. Testosteron wordt aangemaakt door de testikels en de bijnieren waar ook de cortisol aangemaakt wordt (zie Hoofdstuk 22 Verschillen tussen mannen en vrouwen). Bij vrouwen wordt testosteron in mindere mate aangemaakt in de eierstokken en ook in de bijnieren. Testosteron is bij mannen van invloed op het ontwikkelen van de zaadcellen. Maar daarnaast is het ook van invloed op de secundaire geslachtskenmerken, zoals haargroei (bij zowel de man als de vrouw). Tevens is het van invloed op de spieropbouw en spierontwikkeling, het verbetert je humeur, verhoogt je libido en geeft daadkracht in stresssituaties. De hoeveelheid testosteron die je aanmaakt is genetisch bepaald, maar je kunt het ook beïnvloeden door je levensstijl en door omgevingsfactoren.
Verder beïnvloedt testosteron emotieherkenning. De mate van invloed hangt af van de context waarin iemand zich bevindt en de hoeveelheid testosteron die in de baarmoeder is aangemaakt. Testosteron heeft in dat opzicht dus ook invloed op persoonlijkheidskenmerken, omdat vertrouwen in anderen en het herkennen van emoties te maken heeft met het opbouwen van de eigen identiteit (zie Hoofdstuk 21 Stress, angst, depressie en minderwaardigheidscomplex).
Ook lijkt testosteron invloed te hebben op de lateralisatie van de hersenen, dat wil zeggen het sterker ontwikkelen van bepaalde gebieden van de ene of de andere hersenhelft. Sommige wetenschappers concludeerden daardoor dat dit dus bepalend is voor een meer ‘vrouwelijk’ of meer ‘mannelijk’ brein. Het idee van een ‘mannelijk’ brein wordt door hen onderbouwd doordat testosteron in verband wordt gebracht met het verminderen van het vertrouwen tussen mensen en het verminderen van het herkennen van emoties van anderen wat men meer mannelijk dan vrouwelijk vindt.
De theorie van de asynchronische ontwikkeling van de hersenen is op het bovenstaande gestoeld (zie Hoofdstuk 4 Neurobiologische ontwikkelingsstoornis). Het lijkt ook een aantal autistische ‘kenmerken’, die genoemd worden in Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme, te bevestigen, alsmede dat wetenschappers soms aangeven dat een autistisch brein een zeer ‘mannelijk’ brein zou zijn.

In andere onderzoeken naar de verschillen tussen mannen en vrouwen kwam naar voren dat vrouwen een sterkere verbinding tussen de beide hersenhelften zouden hebben, omdat de corpus callosum (de hersenbalk) zich meer ontwikkeld zou hebben. Hierdoor zou multitasken en oplossingen bedenken makkelijker zijn en zou er een betere ontwikkeling op taalgebied mogelijk zijn.

Ook kwam uit sommige onderzoeken naar voren dat de hippocampus beter ontwikkeld lijkt te zijn bij vrouwen. Vrouwen zouden daardoor beter zijn in het episodische geheugen, dus in het onthouden van de plaats van objecten in de ruimte, van ervaringen, namen, gezichten, smaak en geluiden en ze zouden sterker zijn in het beleven van hun emoties. Hoewel andere onderzoeken dit weer tegenspreken en aangeven dat de hippocampus van mannen weer beter ontwikkeld is, waardoor ze makkelijker kaart kunnen lezen en richting kunnen aangeven doordat het ruimtelijk inzicht beter is.

Volgens weer andere wetenschappers zouden mannen sterkere verbindingen hebben tussen de voorkant en de achterkant van de grote hersenen (= het buitenste deel van de hersenen) en bínnen de hersenhelften van de grote hersenen, terwijl bij vrouwen er een sterkere verbinding tússen de twee hersenhelften zou zijn. Bij de kleine hersenen (het binnenste deel van de hersenen) zou dit andersom zijn en zou er bij mannen een sterkere verbinding zijn tússen de hersenhelften van de kleine hersenen en bij vrouwen juist bínnen de hersenhelften zelf. Dit zou er mede voor zorgen dat meisjes na de geboorte eerder naar gezichten kijken en jongens naar voorwerpen en dat meisjes eerder oogcontact maken dan jongens, waarbij het oogcontact bij meisjes zou worden gemaakt omwille van het contact en bij jongens omwille van uitdaging. Ook zouden vrouwen daardoor meer letten op lichaamstaal dan mannen en beter zijn in het verwoorden van gevoelens.

Er zijn daarnaast ook wetenschappers die het volledig oneens zijn met het verschil tussen ‘vrouwelijke’ en ‘mannelijke’ hersenen. Zij zeggen dat onderzoek naar grootte, vorm en de verbindingen in de hersenen uitwijzen dat er geen verschillen zijn en dat de verschillen die er zijn individueel bepaald zijn. Het heeft volgens hen dus niets met sekse te maken, maar is per individu verschillend. Iedereen heeft zijn eigen aanleg en talenten. Daarbij is de omgeving en de opvoeding bepalend in hoe er met de aanleg en talenten wordt omgegaan en dus hoe de aanleg en talenten verder worden ontwikkeld.

In het bovenstaande is duidelijk te lezen dat men er over het algemeen van uitgaat dat er verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen (anders dan de biologische), maar dat er geen eenduidige opvattingen zijn over de mogelijke oorzaken. De meeste wetenschappers zijn het er wel over eens dat omgeving en opvoeding invloed hebben op de talenten en voorkeuren van een persoon en de ontwikkeling van de persoonlijkheid en dat ieder mens met bepaalde talenten en voorkeuren wordt geboren, maar verder lopen de theorieën, onderzoeksresultaten, conclusies en meningen erg uiteen over waarom die verschillen zouden bestaan.

Wel blijkt het zo te zijn dat mensen die meer voldoen aan de stereotiepe verschillen, over het algemeen eerder worden geaccepteerd door de omgeving. Dat komt omdat mensen het meestal makkelijk en fijn vinden om te categoriseren. Het scheelt namelijk een hoop energie om informatie, objecten en mensen te (kunnen) categoriseren. Een persoon is door het categoriseren makkelijker te identificeren (herkennen), waardoor je eerder bepaalde ideeën en verwachtingen hebt over een persoon en waardoor je eerder een passende reactie kunt voorbereiden en geven tijdens sociale interacties (zie Hoofdstuk 18 Slapen, eten, zindelijkheid en interoceptie). Daarnaast willen mensen graag bij een bepaalde groep horen om bevestigd te worden in hun gevoel van eigenwaarde en het opbouwen van de eigen identiteit (zie Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten). Dit stimuleert mensen weer om aan bepaalde stereotiepen te voldoen van een bepaalde groep mensen. Dit geldt niet alleen voor de verschillen tussen mannen en vrouwen, maar voor iedere groep waar je onderdeel van uitmaakt of waarvan je onderdeel wilt zijn. Om je een man of een vrouw te voelen zul je je daarom waarschijnlijk wel een beetje conformeren aan een aantal stereotiepe kenmerken die bepalend zijn voor het algemene beeld van een man of een vrouw dat op dat moment gangbaar is.

Bij autisme zijn er, zoals al eerder aangegeven, ook verschillen tussen mannen en vrouwen, waarbij hier de meest prominente verschillen (volgens de wetenschap) worden weergegeven. Vrouwelijke autisten zijn over het algemeen socialer ingesteld dan mannen. Er is namelijk meestal wel oogcontact, een mate van empathie en de onderwerpen van interesse hebben meer te maken met dieren, literatuur of idolen, wat sociaal gezien meer geaccepteerd is. Vrouwelijke autisten hebben meestal meer belangstelling voor sociale processen, waarbij de sociale processen grondig bekeken, bestudeerd en geïmiteerd kunnen worden. Hierdoor komen autistische vrouwen vaak te sociaal over om als autistisch te worden herkend.
Van meisjes wordt over het algemeen al van jongs af aan verwacht dat ze socialer zullen zijn in de omgang met anderen dan jongens. Dit legt een bepaalde druk en verwachting op autistische meisjes. Daarnaast of mede daardoor hebben autistische meisjes vaak al heel jong in de gaten dat ze anders zijn. Dit betekent wel dat zij zich door de verwachtingen en het zich anders voelen eerder geneigd zullen zijn om hun best te doen om geaccepteerd te worden door anderen en dus om sociaal wenselijk gedrag te laten zien. Hierdoor valt het ook minder of helemaal niet op dat ze autistisch zijn. Daarbij komt ook nog dat autistische vrouwen vaker internaliserend gedrag hebben, wat minder opvalt dan externaliserend gedrag. Het gevolg van het aanpassen en het laten zien van sociaal wenselijk gedrag is dat autistische vrouwen meestal structureel overbelast worden. Daarnaast krijgen ze meestal geen of niet de juiste hulp. Vaak wordt er echter wel naar hulp gezocht, maar doordat de criteria in de DSM gebaseerd zijn op de meer mannelijke kenmerken van ASS, worden de klachten vaak toegeschreven aan andere stoornissen of problemen dan ASS.
Volgens sommige wetenschappers is autisme een extreme variant van het mannelijk brein doordat er teveel testosteron is aangemaakt tijdens de zwangerschap (zie Hoofdstuk 3 Neurobiologische ontwikkeling (algemeen), Hoofdstuk 4 Neurobiologische ontwikkelingsstoornis en hierboven). Er zouden dus mannelijke kenmerken uitvergroot zijn, zoals bijvoorbeeld het gericht zijn op logische systemen, waardoor de problemen ontstaan. Hierbij kunnen autistische vrouwen minder opvallen, volgens deze wetenschappers, omdat het extreem mannelijke brein wordt gecompenseerd door de vrouwelijke kanten van het brein, waardoor de autistische kenmerken minder naar voren komen.
Niet iedereen is het echter met deze theorie eens. Maar men is er in ieder geval wel over eens dat er verschillen bestaan tussen mannelijke en vrouwelijke autisten. En ook zijn de meeste wetenschappers erover eens dat de hersenen van autisten anders werken dan die van de meeste mensen. De termen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ worden echter in twijfel getrokken wanneer men het heeft over de hersenen, omdat iedereen alle delen van het brein gebruikt. Bij autisten lijken er echter meer actieve verbindingen te zijn in de ene hersenhelft ten opzichte van de andere hersenhelft, hoewel dat voornamelijk nog theorie is. Er is namelijk nog geen gedegen onderzoek naar gedaan. Onderzoeken naar de werking van het brein zijn complex en de resultaten en conclusies zijn vaak niet eenduidig.

Zoals eerder gelezen in dit hoofdstuk zijn mensen geneigd om in stereotiepen te denken om zo sociale omgang te vergemakkelijken. Autistische mensen worden ook met stereotiepe kenmerken aangeduid om hen zo beter te kunnen herkennen (zie Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme). Maar stereotiepen hoeven niet te kloppen. Vaak zijn de kenmerken van de stereotiepen gebaseerd op uitvergrote en extreme opvallendheden. Denk bijvoorbeeld maar aan een leerkracht. Iedereen heeft wel een beeld bij mensen die het beroep leerkracht uitoefenen. Wanneer je het woordje ‘streng’, ‘ouderwets’ of juist ‘beginnend’ eraan toevoegt, kan dit beeld veranderen. Je past het meteen aan. Je hebt meteen een idee hoe de leerkracht voor de klas staat en hoe hij/zij zal reageren op de kinderen. De andere kant is dat de leerkrachten zelf ook voor een deel zullen conformeren aan het stereotiepe beeld. Zij zullen op school of in gesprek met collega’s, ouders of kinderen zich meestal een bepaalde houding aanmeten die past bij het leerkracht zijn. Dat gebeurt niet altijd bewust. Maar het algemeen gangbare beeld ‘moet’ redelijk kloppen, zowel vanuit de school bezien (de school heeft een bepaalde visie en een bepaalde uitstraling) als voor de omgeving en zelfs voor de leerkrachten zelf, zodat men eerder als leerkracht geaccepteerd wordt door anderen.

Bij autisten kan het beeld wat mensen van hen hebben (de stereotiepe kenmerken) heel anders zijn dan ze zich over het algemeen voelen. Het beeld dat mensen hebben is meestal nogal negatief (stigma), dus zullen niet veel normaal- tot hoogbegaafde volwassen autisten makkelijk vertellen dat ze autistisch zijn. Voor vrouwelijke autisten is het vaak nog moeilijker dan voor mannelijke autisten, omdat de omgeving vaak niet herkent (en erkent) dat er bij hen sprake zou kunnen zijn van autisme, omdat de vrouwen niet voldoen aan de stereotiepe autistische kenmerken die algemeen bekend zijn. Door de veelal negatieve stereotiepe autistische kenmerken zullen de meeste autisten zich niet willen conformeren aan het plaatje van wat andere mensen in hun hoofd hebben over hoe een autist is of zou moeten zijn.
Hoe dit precies bij autistische kinderen gaat werken is nog niet duidelijk. Vaak zijn autistische volwassenen pas op latere leeftijd gediagnostiseerd, maar kinderen die tegenwoordig gediagnostiseerd worden met autisme groeien op met een plaatje van wat autisme inhoudt. Zij hebben vaak psycho-educatie gehad op jonge leeftijd en er is meer lotgenotencontact mogelijk. Het is heel fijn dat kinderen dit al vanaf een jonge leeftijd hebben, want het belang van inzicht in de eigen mogelijkheden en beperkingen en het lotgenotencontact is heel belangrijk bij het opbouwen van de eigen identiteit en eigenwaarde (zie Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten). De andere kant zou echter kunnen zijn dat zij, indien niet juist begeleid, zich zouden kunnen gaan conformeren aan het plaatje van hoe een autist ‘behoort’ te zijn volgens het beeld dat bijna iedereen zich er tegenwoordig over heeft gevormd.

Het is ook belangrijk om hier even stil te staan bij het idee dat autisten andere mensen vaak minder goed kunnen categoriseren en dus minder in stereotiepen denken dan de meeste mensen. Dit zou deels kunnen komen door problemen met de Sensorische Informatieverwerking (SI, zie Hoofdstuk 15 Motorische ontwikkeling), waarbij alles even hard binnenkomt. Alle details aan iemand worden opgemerkt, waarbij een hiërarchie aanbrengen in de details en het categoriseren van de details soms lastig kan zijn. Daardoor zijn alle mensen weer anders en kun je ze minder goed in hokjes plaatsen, waardoor anticiperen en reageren op anderen lastiger kan worden. Dit zorgt vaak voor een onbevangenheid naar anderen toe, waardoor de autist kwetsbaarder wordt. Hoewel het er ook voor zorgt dat de autist minder vooroordelen heeft naar de ander toe.
Aan de ene kant hebben autisten vaak moeite om bij een bepaalde groep te horen. Zij voelen zich meestal anders en niet begrepen, waardoor zij net buiten de groep vallen. Maar aan de andere kant hebben ze vaak losse contacten met mensen uit vele, sociaal verschillende, groepen, omdat zij geen vooroordelen hebben. Dit geldt zowel voor vrouwelijke als mannelijke autisten, hoewel de mate van onbevangenheid en open staan voor anderen per persoon kan verschillen.

Het is dus heel belangrijk om stil te staan bij het verschil tussen autistische mannen en vrouwen, omdat autisme je leven vormt en omdat het belangrijk is om te begrijpen waarom je anders bent dan anderen. Wanneer je weet wat er met je aan de hand is, kun je het een plaatsje geven, jezelf beter begrijpen en kun je ermee om leren gaan.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende