Er zijn veel mensen met een verstandelijke beperking met een ASS, maar er zijn ook veel normaal- tot hoogbegaafde mensen met een ASS. Er zijn echter geen gegevens bekend over hoeveel normaal- tot hoogbegaafde mensen er zijn met autisme. Dit zou deels kunnen komen doordat iemand die normaal- tot hoogbegaafd is, heel goed in de gaten heeft dat een diagnose in het autistisch spectrum niet bevorderlijk is voor het dagelijks leven aangezien er een behoorlijk negatief stigma heerst over ASS in de maatschappij. En wanneer een autist een hoge mate van functioneren heeft en men daardoor een (redelijk) normaal leven kan leiden, zal er niet snel een hulpvraag aangegeven worden en/of een onderzoek worden ingesteld.

Mensen zijn altijd al geïnteresseerd geweest in wat ‘slim zijn’ precies is en hoe je dit kunt zien, testen en weergeven. Vooral in de 19e eeuw ging men op zoek naar manieren om iemand te testen op intelligentie. Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat de wetenschappers Binet en Simon in 1900 met de Binet-Simon Intelligence Scale de eerste waren om een test op de markt te krijgen. Al gauw werd deze test aangepast om een verstandelijke beperking vast te kunnen stellen. In verband met de Eerste Wereldoorlog werd de test aangepast om er een simpele groepstest van te maken voor het vaststellen van de intelligentie van soldaten.
In 1905 werd in Frankrijk de eerste intelligentietest ontwikkeld voor kinderen. Omdat er over de hele wereld vraag was naar deze test, werd hij al snel vertaald in het Engels. De term I.Q., wat Intelligentie Quotiënt betekent, werd bedacht omdat de uitslag van de test gebaseerd was op het delen van de verstandelijke leeftijd door de chronologische leeftijd en quotiënt een wiskundige term is voor deling.
In 1939 kwam de eerste intelligentietest op de markt die ontwikkeld was door David Wechsler, de Wechsler Adult Intelligence Scale, de WAIS. Deze test was vernieuwend door de manier waarop hij opgezet was. De testresultaten werden niet meer uitgedrukt in mentale leeftijd, maar in IQ scores. In 1949 kwam de Wechsler Intelligence Scale for Children uit, de WISC. Ook is er in 1967 een kleuterversie ontwikkeld, de Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence, de WPPSI. De WAIS, de WISC en de WPPSI zijn nog steeds veel gebruikte tests, hoewel er wel aanpassingen zijn geweest in de loop der jaren. Daarnaast zijn er ook andere tests ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld in Nederland de RAKIT (Revisie Amsterdamse Kinder-Intelligentie-Test), de GIT (Groninger Intelligentie Test) en de NIO (Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau), maar de Wechsler tests zijn nog steeds het meest gebruikt en het meest bekend.

Wechsler baseerde de test die hij ontwikkelde op de stelling dat het gedrag van een mens bepaald wordt door aan de ene kant de cognitieve aspecten van een mens, dus door het waarnemen, herinneren, denken, redeneren, begrijpen en toepassen, en aan de andere kant door de motivatie en affectie van een mens, dus door aandacht, nieuwsgierigheid, interesse, doorzettingsvermogen en sociale, morele en ethische waarden.
Hierbij worden de cognitieve aspecten ook wel de intellectuele factoren genoemd en de motivatie en affectie de niet-intellectuele factoren. Intelligentie wordt in dit licht ook wel gezien als capaciteiten die een mens zich eigen heeft gemaakt om doelgericht bezig te kunnen zijn, rationeel te kunnen denken en zo effectief mogelijk om te kunnen gaan met de omgeving.
Bij het meten van intelligentie wordt dus in feite gemeten in hoeverre een mens zich deze bepaalde capaciteiten eigen heeft gemaakt in de loop der jaren, waarbij er vanuit gegaan wordt dat wanneer men ouder wordt (van kind naar volwassene), men deze capaciteiten meer in zou moeten kunnen zetten.
Wel is het zo dat de genoemde capaciteiten hevig beïnvloed kunnen worden door de omgeving waarin iemand opgroeit, de scholing die iemand heeft ontvangen, de ervaringen die men heeft opgedaan en de training die iemand heeft gedaan om die capaciteiten beter in te kunnen zetten.
De intelligentietest is dus in feite minder gebaseerd op de capaciteiten waarmee je geboren wordt, maar eerder de capaciteiten die je mede door je omgeving hebt weten te ontwikkelen. Natuurlijk is het daarbij wel zo dat bepaalde aangeboren aspecten de ontwikkeling van een persoon zullen beïnvloeden, waardoor sommige intellectuele factoren zich minder goed zouden kunnen ontwikkelen.
Door te meten in hoeverre de cognitieve aspecten zijn ontwikkeld, gedeeld door de chronologische leeftijd, kom je dus te weten in hoeverre de ontwikkeling van de capaciteiten afwijkt van de norm en daarmee is dus vast te stellen in hoeverre iemand meer of minder moeite zal hebben met bepaalde zaken, zoals het leren op school of het functioneren in de maatschappij.
Een intelligentietest geeft dus bij benadering aan hoe intelligent iemand is. Er kan mee aangegeven worden hoe goed mensen zich bepaalde functies eigen hebben gemaakt, maar hierbij moet dus rekening gehouden worden met leeftijd, met scholing, met verschillen in cultuur en dergelijke. Iemand die bijvoorbeeld bepaalde dingen niet aangeboden heeft gekregen door slechte scholing zal op bepaalde punten minder goed scoren. En ouderen kunnen meer moeite hebben met het geheugen, dus zal er bij het ouder worden slechter gescoord kunnen worden op de functie van het geheugen. Het is ook belangrijk om in gedachten te houden dat het een momentopname is, want wanneer iemand zich bijvoorbeeld niet lekker voelt, zal die persoon een minder hoge score halen, dan wanneer iemand zich fit voelt. Daarnaast is het zo dat intelligentietests van oudsher meer gericht zijn op zaken waar mannen meestal beter in zijn, zoals het ruimtelijk inzicht, waardoor vrouwen over het algemeen wat lager scoren dan mannen. Ook kun je de vaardigheden waarop getest wordt gaan trainen, waardoor de uitslag beïnvloed wordt. Kortom, het vaststellen van iemands intelligentie is niet makkelijk en is nooit helemaal betrouwbaar. Daarnaast is de score maar twee jaar geldig, doordat mensen zich ontwikkelen waardoor de score na twee jaar anders zou kunnen uitvallen.

Om aan te geven hoe intelligent iemand is, worden er verschillende gradaties aangegeven, zodat de mate van intelligentie makkelijker te bevatten is. Hierbij wordt uitgegaan van een gemiddelde. De scores die de meeste mensen behalen op de test wordt 100 genoemd, met een marge van 10 naar boven en naar beneden. Elke 10 punten hoger of lager wordt ingeschaald, wat de volgende tabel oplevert:

> 130 Hoogbegaafd
120-129 Begaafd
110-119 Bovengemiddeld
90-109 Normaal
80-89 Benedengemiddeld
70-79 Lichte verstandelijke beperking
50-69 Matige verstandelijke beperking
25-49 Ernstige verstandelijke beperking
< 25 Zeer ernstige verstandelijke beperking

Wanneer er in dit boek gesproken wordt over normaal- tot hoogbegaafde autisten, wordt er dus gedoeld op mensen die een intelligentiescore zouden kunnen behalen van 90 of hoger. Maar, ongeacht de score, wordt er vooral mee bedoeld dat deze autisten in principe in staat zouden zijn om een leven te leiden dat normaal is of in ieder geval normaal overkomt. In feite gaat het dus over autisten die als hoogfunctionerend te boek staan oftewel de diagnose ASS I (weinig hulpbehoevend) zouden krijgen volgens de DSM 5 (zie Hoofdstuk 2 Autismespectrumstoornissen volgens de DSM).
Dit wil niet zeggen dat er nooit hulp nodig zal zijn of gevraagd zal worden door deze mensen. Bijna iedereen heeft wel eens in zijn leven een periode waarin meer hulp nodig is. Dat kan bijvoorbeeld zijn wanneer iemand een burn-out krijgt, ouder wordt, een ongeluk krijgt of wanneer er traumatische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Dat geldt voor iedereen, dus ook voor autisten. Maar in principe zijn normaal- tot hoogbegaafde autisten dus mensen die in staat zijn een relatief normaal leven te leiden.

Bij intelligentietests wordt gekeken naar de verbale en de performale intelligentie, oftewel de VIQ en de PIQ. Het verbale IQ (VIQ) meet alles wat betrekking heeft op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen en dergelijke. Rekenen is evengoed redeneren en valt dus ook onder het verbale IQ. Het performale IQ (PIQ) meet hoe je praktisch omgaat met je kennis; de uitvoering. Dus hoe je praktisch een probleem oplost bijvoorbeeld. Het totale IQ (TIQ) wordt berekend door het gemiddelde te nemen van de VIQ en de PIQ.
Over het algemeen scoren mensen vrijwel gelijk (een paar punten verschil is niet erg) op de VIQ en de PIQ. Wanneer dat het geval is wordt er gesproken van een harmonisch profiel. Het komt echter ook voor dat de VIQ en de PIQ ver uit elkaar liggen. Dan wordt er gesproken van een disharmonisch intelligentieprofiel. Bij een verschil van 12 punten wordt er over een ‘kloof’ gesproken van de verbale en performale intelligentie. Een verschil van 12 punten hoeft niet per se problemen op te leveren, maar bij een verschil van 25 punten of meer ondervinden mensen er meestal wel duidelijk hinder van. Bij een V/p kloof, waarbij er op het verbale deel veel hoger is gescoord dan op het performale deel, kunnen mensen het merken bij het uitvoeren van taken. Het begrijpen is bijvoorbeeld makkelijk, maar het omzetten naar de praktijk kan lastig blijken. Andersom is ook mogelijk. Dan is er sprake van een v/P kloof, waarbij er op het performale deel veel hoger is gescoord dan op het verbale deel. Mensen zijn dan eerder praktisch ingesteld en leren dan vaak ook makkelijker door te doen. Bij veel autisten wordt een V/p kloof gemeten, maar een v/P kloof komt ook wel voor.

In de vernieuwde intelligentietest van Wechsler, de WISC IV, die sinds 2003 al in Amerika en andere landen wordt gebruikt, is het onderscheid tussen een verbale en performale schaal echter niet meer te vinden. In plaats daarvan worden vier factoren onderscheiden: Verbaal Begrip, Perceptueel Redeneren, Werkgeheugen en Verwerkingssnelheid. De WISC IV wordt niet in Nederland uitgegeven. Het wachten is op de WISC V die naar verwachting op z’n vroegst in 2018 op de markt komt.

Omdat verbale communicatie veelal gezien wordt als directe uiting van hoe intelligent iemand is (zie Hoofdstuk 19 Communicatie en sociale interactie) en de WISC erg talig is, zijn er tests ontwikkeld voor mensen die daar moeite mee hebben, zoals dove mensen of mensen met een communicatieprobleem of -stoornis. Een voorbeeld daarvan is de SON-test (Snijders-Oomen Niet-verbale intelligentietest). Ook zijn er speciale tests voor immigranten die zich de taal nog niet dusdanig eigen hebben gemaakt dat de WISC kan worden afgenomen.

Er zijn mensen die vinden dat de bovengenoemde intelligentietests voorbij gaan aan de kwaliteiten die iemand heeft. Het is inderdaad zo dat de scores van de intelligentietests niet per se alle kwaliteiten weergeven die iemand heeft, maar eerder hoe goed zij zich de normen van doelgerichtheid, rationaliteit en effectieve omgang eigen hebben gemaakt volgens de westerse cultuur. De westerse maatschappij hecht echter veel waarde aan deze normen en ook aan de scores van de intelligentietests.
Sommige mensen vinden dus dat de scores geen recht doen aan de mens erachter. In de jaren ‘80 is daardoor het begrip ‘meervoudige intelligenties’ ontstaan door de Amerikaanse psycholoog dr. Gardner. Zijn theorie geeft aan dat er verschillende intelligenties zijn op de volgende gebieden: verbaal/linguïstische intelligentie (taalslim), logisch/mathematische intelligentie (rekenslim), visueel/ruimtelijke intelligentie (beeldslim), muzikaal/ritmische intelligentie (muziekslim), lichamelijke/kinesthetische intelligentie (beweegslim), interpersoonlijke intelligentie (samenslim), interpersoonlijke intelligentie (zelfslim), natuurgerichte intelligentie (natuurslim). Dr. Gardner zegt dat de meeste intelligentietests slechts de eerste drie punten meten en niet kijken naar de andere punten. Volgens hem is intelligentie het kunnen leren en problemen oplossen en hoe vaardig men daarin is. De theorie van de meervoudige intelligenties is echter niet te meten en is daarom een omstreden begrip in de wetenschap.

Wanneer uit de intelligentietests, zoals die van Wechsler, blijkt dat iemand hoogbegaafd is, wordt er vanuit gegaan dat er een andere ontwikkeling in de hersenen heeft plaatsgevonden. Het blijkt dat wanneer er gekeken wordt naar het brein van een hoogbegaafde, er wordt geconstateerd dat de grote hersenen zich anders ontwikkelen dan bij de meeste mensen.
De grote hersenen, ook wel de cortex cerebri of hersenschors genaamd, is de buitenste laag van de hersenen (zie Hoofdstuk 21 Stress, angst, depressie en minderwaardigheidscomplex). Deze buitenste laag is heel dun, slechts een paar millimeter dik. Toch is deze laag heel belangrijk voor het functioneren van de hersenen, omdat die ervoor zorgt dat de informatie uit de rest van het lichaam wordt ontvangen, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De geïnterpreteerde informatie wordt, middels dezelfde hersenschors, vervolgens omgezet in gedachten en concrete handelingen.
De schors bestaat uit een temporaal kwab, occipitaal kwab, pariëtaal kwab en de frontaal kwab. De temporale kwab boven de oren (bij de slaap, ook wel slaapkwab genaamd) zorgt voor het verwerken van taal (taalbegrip) en is verantwoordelijk voor het verbale geheugen, de spraak en het gehoor. De occipitale kwab aan de achterkant van de hersenen (visuele schors, achterhoofdskwab) zorgt voor het ontvangen, integreren en verwerken van visuele informatie tot beelden. De pariëtale kwab hoog achterin de hersenen (wandbeenkwab) zorgt voor het verwerken van informatie met betrekking tot de spieren en gewrichten, de gegevens van de zintuigen en het vermogen tot ruimtelijk denken. De frontale kwab aan de voorkant (voorhoofdskwab) zorgt voor de persoonlijkheid alsmede andere functies, zoals de concentratie, motivatie, planning, redeneren, beslissingen nemen en dergelijke (zie deel 4 en deel 5 over de EF’s, executieve functies).
Door onderzoek is aan het licht gekomen dat de hersenschors zich anders lijkt te ontwikkelen bij hoogbegaafde mensen. Uit de onderzoeken komt naar voren dat de hersenschors bij heel jonge hoogbegaafde kinderen dunner is dan bij leeftijdsgenoten. Maar de hersenschors groeit bij hoogbegaafde kinderen erg snel en is aan het begin van de tienerjaren juist dikker dan bij anderen, vooral op het gebied van de prefrontale cortex. Tegen de tijd dat men ongeveer 20 jaar is, is de hersenschors weer net zo dik als bij leeftijdsgenoten.
Deze afwijkende ontwikkeling zou dus voor een andere (of, volgens de tabel, een hogere) intelligentie zorgen.

Ook de hersenen van autisten lijken een andere ontwikkeling door te maken. Zoals aangegeven in Hoofdstuk 4 Neurobiologische ontwikkelingsstoornis gaan sommige onderzoekers ervan uit dat het hersenvolume tot het 6e jaar enorm groeit, waarna het weer vertraagd. Vooral het volume van de grijze stof, die nodig is voor informatieverwerking, zou sterk groeien wat voor veel lokale verbindingen in de hersenen zou zorgen. De witte stof echter, die voor informatie tussen de verschillende hersendelen zorgt, zou van andere kwaliteit zijn en daardoor problemen geven bij de informatieverwerking tussen de hersendelen. De witte en grijze stof bevinden zich vooral in de cortex cerebri (hersenschors). Wanneer men volwassen is, schijnt er echter geen verschil meer te zijn tussen de grijze stof van autisten en die van neuro-typische mensen.
De theorie van het grotere hersenvolume bestaat al heel lang. Daarom ging men er eerst (zelfs nog in 2008) vanuit dat autisten herkent zouden kunnen worden aan een grotere schedel. Tegenwoordig gaan wetenschappers die op deze theorie voortborduren ervan uit dat dit niet het geval is, maar dat het volume wel voor een andere ontwikkeling zorgt.
Echter, bij de theorie die in het begin van dit boek vooral naar voren kwam, waarbij er uitgegaan wordt van een asynchronische ontwikkeling van de hersenen, lijkt men niet uit te gaan van een ander volume van de hersenen, maar eerder van een andere hormoonhuishouding waardoor de ontwikkeling anders verloopt.
Het is in ieder geval duidelijk dat er nog veel onderzoek gedaan wordt en gedaan moet worden om meer duidelijkheid te verkrijgen over de verschillende theorieën van de afwijkende ontwikkeling van de hersenen bij autisten.

Zo’n 10% van de mensen is meer begaafd dan gemiddeld, dus met een gemeten IQ van 111 of hoger. Slechts 2% daarvan kan hoogbegaafd genoemd worden, dus met een gemeten IQ van 131 of hoger. Omdat de term ‘hoogbegaafd’ erg bekend is en makkelijk in het gebruik, wordt er verder in het boek over ‘hoogbegaafd’ gesproken wanneer de begaafdheid hoger is dan gemiddeld.
Ook al is iemand hoogbegaafd, dan wil dat nog niet zeggen dat hij succesvoller is in het leven dan anderen. Hierbij wordt er met succesvol bedoeld dat iemand zich goed voelt over zichzelf en zijn (intellectuele) mogelijkheden en dat hij die mogelijkheden weet te benutten.
Slechts een klein deel van de hoogbegaafden ontwikkelt zich tot een evenwichtige, succesvolle volwassene, namelijk van iedere 1000 mensen, zijn er 20 die hoogbegaafd zijn, waarvan er maar 4 uiteindelijk succesvol zijn. Dat betekent dat maar 20% van de hoogbegaafden uiteindelijk succesvol wordt en 80% niet.

Er lijkt bij hoogbegaafden dus sprake te zijn van een scheefgroei (asynchronische ontwikkeling) in de hersenen (zie Hoofdstuk 4 Neurobiologische ontwikkelingsstoornis) door de andere ontwikkeling van de cortex. Daarnaast zijn hoogbegaafden veelal gevoelsmensen en hoogsensitief. Veel van de hoogbegaafde mensen ervaren daardoor moeilijkheden op het gebied van de sociaal-emotionele ontwikkeling en hebben last van het ‘anders’ zijn. Zij denken op een andere manier wat hen moeite kan opleveren, bijvoorbeeld op sociaal gebied. Zij hebben daardoor ook vaak meer moeite met het maken van vrienden. Leeftijdgenoten begrijpen het hoogbegaafde kind vaak niet, omdat ze op andere manieren communiceren en interacteren. Het is voor hoogbegaafde kinderen daarom meestal prettiger om om te gaan met lotgenoten, omdat ze elkaar beter begrijpen (zie Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten).

Om succesvol te kunnen zijn als hoogbegaafde is het nodig om, naast goede sociale contacten, te hebben leren falen, want je leert van je fouten en wanneer je geleerd hebt dat het niet erg is om soms een fout te maken, ben je er niet bang voor. Helaas hebben veel hoogbegaafden juist faalangst opgebouwd doordat de lesstof vaak niet uitdagend genoeg is en zij op die manier niet geleerd hebben dat het niet erg is om fouten te maken.

Ook wordt de belangrijkheid van de EF’s (executieve functies, zie deel 4) vaak onderschat bij hoogbegaafden. Een aantal van de EF’s vallen namelijk onder de niet-intellectuele factoren die in mindere mate gemeten worden. Hoogbegaafde kinderen hebben vaak wel een verhoogde motivatie, aandacht, nieuwsgierigheid, interesse en dergelijke (de zogeheten niet-intellectuele factoren), maar om die effectief in te kunnen zetten, is vaak meer ondersteuning en begeleiding nodig dan dat gegeven wordt. Hierdoor kan het zijn dat die EF’s minder goed ingezet en verder ontwikkeld worden dan nodig is om succesvol te worden.
Pas wanneer deze elementen: goede sociale contacten, leren falen en executieve vaardigheden, maar ook (aangeleerde) leerstrategieën, aanwezig zijn, is het mogelijk om succesvol te zijn. Dan is er sprake van de mogelijkheid om voldoende zelfvertrouwen op te bouwen en zelfstandigheid te ontwikkelen om uitdagingen aan te gaan.
Wanneer deze elementen niet of onvoldoende ontwikkeld zijn, is het mogelijk dat het mis gaat. Een kind kan gaan onderpresteren of uitdagend gedrag vertonen, omdat het aan de ene kant onvoldoende wordt uitgedaagd (de stof is saai) en aan de andere kant onvoldoende wordt begeleid bij taken die wel uitdagend zijn om zo bijvoorbeeld de juiste leerstrategieën aan te kunnen leren.

Er wordt dus vaak bij hoogbegaafde mensen waargenomen dat er, naast de intellectuele factoren, ook sprake is van een grotere mate van aandacht, nieuwsgierigheid, interesse, doorzettingsvermogen en sociale, morele en ethische waarden, zoals beschreven werd door Wechsler als zijnde onderdeel van de motivatie en affectie en dus van de niet-intellectuele factoren. Het lijkt er daardoor op dat zij niet alleen op het gebied van de gemeten cognitie vooruitlopen op leeftijdsgenoten, maar ook op andere vlakken. Wanneer een hoogbegaafd kind hier echter niet goed bij wordt ondersteund en begeleid, kan het alsnog tegen veel moeilijkheden aanlopen, waardoor het zich minder goed kan ontwikkelen. Een kind met een hogere begaafdheid moet dus voldoende begeleid worden, thuis en op school, zodat dit kind zich tot een evenwichtige volwassene kan ontwikkelen met voldoende zelfvertrouwen, zelfkennis en zelfstandigheid om een succesvol leven te kunnen leiden.

Alhoewel er bij hoogbegaafden dus een andere ontwikkeling van de hersenen plaats lijkt te vinden, wordt hoogbegaafdheid echter niet als stoornis geclassificeerd in de DSM. Wanneer je kijkt naar de omschrijving van wat een stoornis is (zie Hoofdstuk 9 Autisme – een minderheid of een stoornis?), zou het echter wel zo gedefinieerd kunnen worden. Het zou een stoornis kunnen heten, want het is een afwijking op orgaanniveau. En doordat mensen met hoogbegaafdheid meestal ook andere moeilijkheden tegenkomen in het leven, waaronder vooral op sociaal-emotioneel en soms ook op motorisch gebied, zou het zeker als belemmering en handicap kunnen worden ervaren.
Waarom hoogbegaafdheid niet is opgenomen in de DSM is niet duidelijk, hoewel er wel iets opvalt wanneer je kijkt naar de DSM. De DSM beschrijft vooral stoornissen waarbij andere mensen hinder ondervinden van de personen met de stoornis. Het beschrijft het anders zijn van personen, waarbij de opvallendheden meestal worden beschreven aan de hand van wat veel mensen zien als zijnde de negatieve aspecten van de stoornis/persoon. ‘Intelligent zijn’ staat daarentegen juist, over het algemeen, in hoog aanzien bij mensen. Wellicht dat dat een reden is waarom het niet in de DSM is opgenomen.
Daarnaast is het zo dat veel hoogbegaafden meestal in staat zijn veel van hun moeilijkheden te verbloemen of te compenseren. Hierdoor valt vaak niet op dat er moeilijkheden zijn. De meeste moeilijkheden worden ervaren door de hoogbegaafde persoon in kwestie, maar in mindere mate door de omgeving. Er is daardoor minder vaak sprake is van een hulpvraag. Hierdoor is het niet nodig om onderzoek te doen, waardoor het niet nodig is om hoogbegaafdheid in de DSM op te nemen.
Ook vallen een heleboel hoogbegaafden niet op, omdat er vaak sprake is van onderpresteren en/of uitdagend gedrag. Door het onderpresteren en/of het uitdagende gedrag is het vaak niet duidelijk dat het om hoogbegaafdheid gaat (het valt niet op door de leerprestaties), waardoor er eerder wordt gezocht naar een andere oorzaak dan hoogbegaafdheid, zoals bijvoorbeeld ADHD.
Maar er kan ook worden beargumenteerd dat het wel een afwijking betreft, maar dat deze afwijking slechts tijdelijk is, omdat het op volwassen leeftijd niet meer aanwezig is, aangezien de cortex cerebri bij hoogbegaafden op volwassen leeftijd weer even dik is als die van de gemiddelde mens. Hoewel tijdelijke stoornissen over het algemeen wel in de DSM worden opgenomen (zoals depressie of psychose).
Er zouden dus veel redenen kunnen zijn waarom hoogbegaafdheid niet in de DSM is opgenomen. De bovengenoemde redenen zijn slechts speculaties aangezien er geen gegevens over bekend zijn.

Zoals al eerder gezegd, kunnen autisten met een normale tot hoge begaafdheid minder opvallen doordat ze zich meer weten aan te passen aan de omgeving en een redelijk normaal leven kunnen leiden. Wat wel opvalt is dat een groot deel van de moeilijkheden waar veel hoogbegaafden tegenaan lopen, ook bij veel autisten voorkomen. Zowel een asynchronische ontwikkeling van de hersenen als sensitiviteit komt ook bij autisten voor, evenals het feit dat autisten over het algemeen ook gevoelsmensen zijn. Mensen die anders zijn, vooral die anders denken, zoals bijvoorbeeld hoogbegaafde mensen, ervaren meestal dezelfde gevoelens als autisten (zie deel 3), waarbij eenzaamheid, frustratie, moeite op sociaal niveau, ondergestimuleerd, ondergewaardeerd, niet begrepen, gepest, onzekerheid, minderwaardigheidsgevoelens enz. enz. een rol kunnen spelen. Omdat zowel hoogbegaafden als autisten soms dezelfde kenmerken kunnen vertonen, zoals moeite op sociaal gebied, worden hoogbegaafden ook wel eens autistisch genoemd, terwijl ze dat niet zijn. Dat kan vervelend zijn, vooral omdat de meeste hoogbegaafden vaak zeer tegen autisme en autisten gekant zijn, net als de meeste mensen, door het negatieve stigma dat autisme met zich mee draagt. Dat is jammer, want hoogbegaafde autisten en hoogbegaafden zonder autisme zouden juist veel aan elkaar kunnen hebben, omdat zij veelal op dezelfde manier denken en tegen dezelfde moeilijkheden aanlopen. Hierdoor zouden ze juist elkaars lotgenoten kunnen zijn, wat belangrijk is voor het opbouwen van een goed zelfbeeld.

Wat ook nog genoemd moet worden is dat hoogbegaafde kinderen meestal graag als volwassenen behandeld willen worden op sommige vlakken. Dat komt omdat ze op vele gebieden vooruit lopen. Het betekent dat ze als gelijke behandeld willen worden, serieus genomen willen worden en dat ze met respect behandeld willen worden, dus zoals volwassenen in principe met elkaar omgaan. Zij hechten meestal ook veel waarde aan sociale, morele en ethische waarden (groot rechtvaardigheidsgevoel), waardoor zij liever niet hebben dat zij misleidt worden of dat iemand iets doet wat onterecht is in hun ogen. Wanneer zij nieuwsgierig zijn en interesse voor iets hebben, willen ze niet weggestuurd worden, maar ze willen dat er serieus mee omgegaan wordt. De algemene regel is dat respect gegeven moet worden en dat vertrouwen verdiend moet worden. Dit staat dan ook in hoog aanzien bij veel hoogbegaafde kinderen.
Wanneer hoogbegaafde kinderen verteld wordt wat ze moeten doen zonder dat er uitleg wordt gegeven of overlegd is met hen, zullen ze dat vaak niet waarderen. Of wanneer volwassenen lachen omdat een kind bijvoorbeeld iets verkeerd zegt of doet, zal het hoogbegaafde kinderen tegenstaan. Ze kunnen zich door dit soort gedrag ondergewaardeerd en uitgelachen voelen. Het voelt respectloos aan. Het zijn gedragingen die volwassenen onderling niet snel naar elkaar toe zullen doen. Wanneer hoogbegaafde kinderen op deze manier behandeld worden, kunnen ze het vertrouwen in zichzelf en in anderen verliezen.
Ditzelfde geldt voor normaal- tot hoogbegaafde autistische kinderen. Zij willen ook graag op een meer volwassen manier benaderd worden, waarbij er uitleg en overleg is. Ook zij hebben een verhoogd rechtvaardigheidsgevoel en willen serieus genomen worden. Respect naar elkaar toe wordt ook bij autisten hoog gewaardeerd. In dat opzicht lijken hoogbegaafde mensen en autistische mensen dus ook erg op elkaar en kunnen ze als elkaars gelijken worden beschouwd.

Hoogbegaafden hebben, zoals eerder gezegd, vaak moeite met sociale omgang. Alhoewel veel van de kenmerken over sociale omgang bij hoogbegaafden overeenkomen met ASS, zoals veel over een onderwerp kunnen praten bijvoorbeeld, wordt er gezegd dat het verschil tussen hoogbegaafdheid en ASS het aanleren van de ToM is (de Theory of Mind, zie Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme en Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten). Er wordt gesteld dat hoogbegaafden wel uit zichzelf wederkerigheid in sociaal contact leren en autisten niet. Ook wordt er aangegeven dat hoogbegaafde kinderen zich eerder dit soort concepten en theorieën eigen kunnen maken dan andere kinderen door de hoogbegaafdheid. Daarbij wordt het belang van gelijkgestemden (lotgenoten) benadrukt bij het ontwikkelen van deze capaciteiten. Wanneer zij echter geen aansluiting kunnen vinden bij leeftijdgenoten, zouden ze kunnen gaan onderpresteren, waardoor het lijkt alsof ze de sociale vaardigheden niet zouden beheersen.
Er wordt dus vanuit gegaan dat hoogbegaafde kinderen eerder de ToM bereiken dan andere kinderen waardoor er problemen kunnen ontstaan in de sociale omgang en bij autistische kinderen dat zij de ToM niet (of later) zouden kunnen bereiken waardoor er problemen ontstaan in de sociale omgang.

De Theory of Mind (ToM) is een theorie, omdat het bedacht is naar aanleiding van bepaald gedrag van jonge kinderen (en in sommige onderzoeken dieren) in hun sociale omgang. Het gaat ervan uit dat mensen menselijk gedrag begrijpen. Het heet echter niet de gedragstheorie (Theory of Behaviour) omdat gedrag beïnvloed wordt door wat er in mensen omgaat, door hun emoties en gedachten over die emoties, waardoor men het gemoedstheorie (Theory of Mind) heeft genoemd.
Er wordt bij de theorie vanuit gegaan dat mensen (en tot op zekere hoogte dieren) de psychische toestand van een ander kunnen begrijpen en kunnen begrijpen dat de psychische toestand van een ander anders kan zijn dan die van zichzelf. Het hebben van een ToM wordt gezien als synoniem voor het hebben van empathie. Het is in feite hetzelfde. Empathie is namelijk het vermogen om je in te kunnen leven in de gedachten en beleving van de ander en je te kunnen verplaatsen in de situatie van de ander. Bij de ToM wordt er ook vanuit gegaan dat men de eigen psychische toestand moet kunnen begrijpen, voordat men de psychische toestand van anderen kan begrijpen. Met psychische toestand wordt bedoeld het kunnen begrijpen wat iemand voor bedoelingen heeft, wat hij gelooft en voor waar houdt, welke kennis hij heeft, wat hij hoopt en wil, maar ook wat hij zal doen of zeggen. Hierbij is het belangrijk dat men begrijpt dat dit voor iedereen anders kan zijn.

De ToM zegt dus dat je het gedrag van een ander kan begrijpen, omdat je begrijpt wat de bedoelingen van de ander kunnen zijn. Aan de bedoelingen liggen emoties ten grondslag, dus om iemand’s acties te kunnen begrijpen, moet je zijn emoties en bedoelingen kunnen begrijpen en dus kunnen begrijpen dat dit anders kan zijn dan wat jij op dat moment voelt, wilt en denkt.
Gedrag, emoties en gedachten zijn dus sterk aan elkaar verbonden, maar ze zijn ook sterk verbonden met de maatschappij waarin je opgroeit. Er wordt tijdens het opgroeien geleerd hoe je je moet gedragen, maar ook hoe je je daarbij moet voelen en wat je erover moet denken. In de ene cultuur mag je bijvoorbeeld niet boeren aan tafel, in een andere cultuur juist wel. Dit bepaalt hoe je tegen boeren aankijkt. De ene persoon zal geleerd hebben dat het niet mag en slecht is. Hij zal het niet snel zelf doen en het niet fijn vinden wanneer een ander het doet. De andere persoon zal geleerd hebben dat het boeren een compliment is en dus goed. Hij zal het zelf doen en het fijn vinden wanneer iemand anders het doet. Gedrag, emoties en gedachten zijn dus cultureel bepaald.

Wanneer je niet bekend bent met de cultuur van iemand anders kan het zijn dat een persoon aan tafel boert terwijl dat in die maatschappij niet gewoon is. De anderen aan tafel zullen dan ook niet makkelijk kunnen begrijpen waarom degene die boerde blij kijkt. Zij kunnen echter wel de emotie ‘blijdschap’ aflezen, maar begrijpen de bedoelingen erachter niet. Degene die geboerd heeft, zal kunnen zien dat de anderen boos kijken, maar niet begrijpen waarom zij boos zijn.
Uitgaande van de definitie van de ToM, waarbij men inzicht heeft in de psychische toestand van de ander en men kan herkennen dat die anders kan zijn dan de eigen psychische toestand, is hier slechts gedeeltelijk sprake van een ToM. Het herkennen van de gevoelens van een ander en begrijpen dat dit anders is dan de eigen gevoelens is duidelijk. Het begrijpen van de bedoelingen en het gedrag is echter niet duidelijk. Wanneer je een andere beleving hebt, is het dus heel moeilijk je in te leven in de beleving van de ander.

Kinderen wordt geleerd hoe ze de wereld om hen heen moeten beleven. Wanneer een ander een andere beleving heeft, is het dus lastig de ander te begrijpen. Wel kan men respect tonen voor de andere beleving, waarbij respect wel van twee kanten dient te komen.
Wanneer de mensen die boeren niet netjes vinden en de persoon die geboerd heeft beiden open staan voor andere manieren van denken en doen, is het mogelijk dat er over het verschil in gedrag wordt gepraat en kan worden herkent en erkent dat dit verschillend is door de verschillende achtergrond (cultuur).
Maar wanneer een van beide partijen er niet voor openstaat en vasthoudt aan de eigen waarden en normen, gaat men voorbij aan het anders denken en doen van de andere partij, waardoor die niet het respect krijgt dat hij zou moeten krijgen. Er kan wrijving ontstaan en dit zal de relatie tussen beide partijen niet ten goede komen. Want op deze manier wordt er geprobeerd de ander de eigen waarden en normen op te leggen. De eigen waarden en normen worden in die situatie dus belangrijker geacht dan de waarden en normen van de ander, waarmee eigenlijk gezegd wordt dat de eigen psychische toestand superieur is over die van de ander.

In de wetenschap worden verschillende stadia van Theory of Mind aangegeven.
Van 0 – 8 maanden vindt er al maatschappelijke beeldvorming plaats. Baby’s hebben meestal meer aandacht voor mensen dan voor dingen. Zij hebben aandacht voor en met de ouder (lees: verzorger) en leren door imitatie. Hierdoor wordt sociaal gedrag gestimuleerd. Vanaf 8 – 18 maanden leren kinderen gedeelde aandacht (met de ouder) te hebben voor iets anders, zoals samen met een blokje spelen bijvoorbeeld. Hele jonge kinderen kijken vaak al naar de ouder om te zien hoe ze op bepaalde situaties moeten reageren. Er wordt aangegeven dat kinderen in deze leeftijd zich al bewust worden van het feit dat mensen bepaalde doelen hebben en objecten niet. Vanaf 18 maanden kunnen kinderen zich al een voorstelling gaan maken van iets dat er niet is, dus dat iets er kan zijn of kan gebeuren wat (nog) niet te zien is. Ze gaan zich een beeld vormen van de situatie, emoties herkennen, bepaalde dingen gaan wensen, doen alsof (het verschil tussen werkelijkheid en je je ergens een voorstelling van kunnen maken) en dergelijke. Deze ontwikkeling duurt tot een jaar of drie (0 – 3 jaar) en wordt ook wel de ToM 1 genoemd. Sommigen zien dit als de voorloper van de uiteindelijke ToM.
De ToM 2 begint wanneer een kind een jaar of 4 á 5 is. Sommigen noemen deze fase ook wel het ‘first order belief’ oftewel de ‘eerste manifestatie’. De kinderen ontwikkelen op deze leeftijd het causaal denken (oorzaak-gevolg) en gaan misleiding begrijpen. Zij leren dat een ander andere kennis kan hebben dan zijzelf en daardoor anders zal denken en/of doen. Bijvoorbeeld wanneer een kleuter een snoepblik vindt (en er snoepjes in verwacht te zien), maar er blijken kleurtjes in te zitten, kunnen ze zich voorstellen dat een ander ook zal verwachten dat er snoepjes in zullen zitten. Een 3-jarige zal dat besef nog niet hebben. Ook kunnen kleuters begrijpen dat iets anders is dan dat het er op het eerste gezicht uit ziet. Bijvoorbeeld wanneer een steen een spons blijkt te zijn, maar ook dat mensen kunnen doen alsof ze lachen terwijl ze in het echt verdrietig zijn. Kleuters kunnen dan ook gaan oefenen met liegen, geheimpjes, verrassingen en dergelijke.
Als laatste is er de ToM 3, wat als hoogste niveau wordt gezien, oftewel de ‘second order belief’. Deze ToM ontwikkelt zich vanaf de leeftijd van ongeveer 6 á 7 jaar waardoor metacognitief denken (denken over het denken, belangrijk voor het ontwikkelen van leerstrategieën), het begrijpen van complexe humor en zich een voorstelling kunnen maken van de gedachten van de ander worden ontwikkeld. Kinderen op deze leeftijd kunnen bijvoorbeeld begrijpen dat iemand iets over iemand anders denkt (hij denkt dat zij denkt dat…). En dat wanneer twee mensen dezelfde prikkels worden gegeven (hetzelfde zien of horen bijvoorbeeld), zij deze op verschillende manieren kunnen interpreteren. Deze laatste ToM is bij kinderen uitgerijpt rond een jaar of 8. Er wordt gesteld dat kinderen rond deze leeftijd empathisch zijn.

De sociale ontwikkeling, en met name spelen en samenspel, is nauw verwant met de ToM, want daarin kun je zien dat 0- tot 3-jarigen zich bewust beginnen te worden van anderen, maar dat er nog geen echt samenspel plaatsvindt. Bij 4- tot 6-jarigen is er nog sprake van een egocentrisme, waarbij samenspelen eigenlijk alleen plaatsvindt wanneer beide partijen er het nut van inzien. En vanaf 6 á 7 jaar is het mogelijk dat er een vriendschapsontwikkeling plaatsvindt op basis van wederkerigheid. Met wederkerigheid wordt bedoeld de verplichting tussen mensen onderling om een gift met een tegengift te beantwoorden. Bij een gelijkwaardige relatie en een gelijkwaardige gift heet dat reciprociteit, bij ongelijkwaardige wederkerigheid wordt gesproken over redistributie.

Bij hoogbegaafde kinderen wordt er dus vanuit gegaan dat zij sneller de stadia van de ToM zouden doorlopen dan andere kinderen, waardoor er minder goed aansluiting gevonden wordt bij leeftijdsgenootjes. Hierdoor kan een kind zich dus gaan terugtrekken en meer in zichzelf gekeerd raken, waardoor het lijkt alsof de sociale ontwikkeling juist achterloopt ten opzichte van anderen. Het zich terugtrekken en in zichzelf gekeerd raken wordt zowel bij hoogbegaafde kinderen als bij kinderen met ASS waargenomen.
Bij hoogbegaafde kinderen wordt er vanuit gegaan dat dit dus te maken heeft met het sneller doorlopen van de ToM stadia. In dat geval zou er in principe gezegd kunnen worden dat, wanneer andere kinderen de ToM volledig hebben ontwikkeld, er geen verschil meer zou moeten zijn en hoogbegaafde kinderen, sociaal gezien, weer gewoon mee zouden moeten kunnen doen. Maar hierbij lopen ze er vaak tegenaan dat zij cognitief ook al verder zijn dan leeftijdsgenootjes, waardoor aansluiting nog steeds moeilijk blijkt te zijn. Het gevolg is dat er toch vaak problemen blijven bestaan op sociaal gebied bij hoogbegaafde kinderen.
Bij kinderen met ASS wordt er dus vanuit gegaan dat het zich terugtrekken en in zichzelf gekeerd raken komt doordat de ToM niet of later bereikt wordt en er dus geen goede aansluiting met andere kinderen kan plaatsvinden.

Vroeger werd verondersteld dat de ToM ontwikkeling bij autistische kinderen niet of minder goed geleerd kon worden door een defect in de hersenen. Tegenwoordig wordt er vanuit gegaan dat er sprake is van een afwijkende of vertraagde ontwikkeling, met name op het gebied van de spiegelneuronen die zorgen voor het kunnen imiteren van anderen, en een vertraging van de rijping van het centrale zenuwstelsel en de (met name linker-) prefrontale cortex (waar de EF’s huizen) waardoor de ontwikkeling van de ToM achterloopt.
Deze theorieën hangen samen met het idee van een overgestimuleerde rechterhersenhelft. Er wordt bij de theorie van de asynchronische ontwikkeling van de hersenen vanuit gegaan dat de ToM dus wel ontwikkeld kan worden, maar dat er een vertraging plaatsvindt van ongeveer 2 jaar. Ook wordt hierbij genoemd dat normaal- tot hoogbegaafde autisten bij het ontwikkelen van de ToM hun cognitieve vermogens in kunnen zetten, zodat de ToM in plaats van aangevoeld, beredeneerd kan worden.

Wanneer je vanuit deze gedachtegang naar de ToM ontwikkeling kijkt bij autistische kinderen, kun je zien dat het mogelijk is dat er minder aandacht is na de geboorte voor mensen en meer voor objecten. Dit eerste sociale contact, wat de sociale omgang stimuleert door imitatie, kan betekenis hebben voor het opbouwen van de sociale ontwikkeling.
In hoeverre de basis van de aandacht voor de ander en het imiteren problemen op zou kunnen leveren voor de ontwikkeling van de ToM is (nog) niet duidelijk. Er is dus geen duidelijkheid of aandacht voor objecten en/of het beperkte imiteren als baby in de weg zou staan voor de volgende stappen in de ToM ontwikkeling. Het zou, in principe, de gedeelde aandacht voor een object niet in de weg hoeven staan, doordat de aandacht voor het object er al is. Wellicht zijn autistische kinderen daardoor zelfs eerder toe aan gedeelde aandacht. Wel kan er minder gekeken worden naar de ouder om te leren hoe er gereageerd moet worden in bepaalde situaties. Maar dat mensen doelen hebben en objecten niet, kan weer eerder opgemerkt worden dan bij andere kinderen. Zich een voorstelling kunnen maken van iets dat er op dat moment niet is, doen alsof en dergelijke zouden in feite niet specifiek achter hoeven te lopen bij andere kinderen. Zelfs het herkennen van emoties hoeft niet perse achter te gaan lopen, omdat emoties niet alleen afgelezen worden aan een gezicht. Houding, tonatie, bewegingen, alles aan een mens kan zijn emoties uitdrukken, ook hoe er omgegaan wordt met objecten. Het kan zelfs de sfeer in een ruimte bepalen. En omdat autisten in principe geen moeite hebben met de CC (centrale coherentie, omgeving als geheel waarnemen, zie Hoofdstuk 7 Opvallendheden aan autisme en Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling ), maar over het algemeen juist heel veel prikkels tegelijk binnenkrijgen, zullen ze deze (kleine) veranderingen in een persoon (en de sfeer in de ruimte) ook op kunnen merken.
Er zouden dus gedeeltelijk problemen kunnen ontstaan bij het ontwikkelen van de ToM 1. Er zou een achterstand opgelopen kunnen worden bij het aanleren van de sociale omgang doordat er minder aandacht is voor de ouder en daardoor voor hoe er in bepaalde situaties moet worden gereageerd. Maar er zou een voorsprong kunnen zijn op het gebied van gedeelde aandacht en zich een voorstelling kunnen maken van iets dat er niet is. Op ander gebied zou het kind een gewone ontwikkeling kunnen laten zien, bijvoorbeeld bij het doen alsof, wensen en zelfs emotieherkenning (omdat er niet alleen van gezichtsuitdrukkingen geleerd wordt, maar ook van alle andere informatie die iemand onbewust doorgeeft) en dergelijke. De uiteenlopende ontwikkeling die bij autisten voor lijkt te komen is in Hoofdstuk 4 Neurobiologische ontwikkelingsstoornis en Hoofdstuk 10 Opvallendheden bij autisme nader belicht ook al aan het licht gekomen met betrekking tot andere gebieden.
Verder zou er in principe ook geen noemenswaardige problemen hoeven te zijn met het ontwikkelen van de ToM 2 (causaal denken en misleiding) en de ToM 3 (metacognitie).

Een paar voorbeelden:
Een 9-jarig, meerbegaafd, autistisch kind wil niet dat algemeen bekend wordt dat er bij hem sprake is van autisme, omdat mensen dan een vooroordeel zouden hebben en hem anders zouden gaan behandelen.
Hier is overduidelijk sprake van empathie en een ToM 3. Wanneer dit kind zich niet zou kunnen verplaatsen in gedachten en gevoelens van een ander, zou dit kind niet inzien dat anderen het kind anders zouden kunnen gaan behandelen door de diagnose ASS.
Een ander voorbeeld: een 10-jarig, autistisch kind zit langs de spoorbaan om zelfmoord te plegen. Hij wil berekenen wanneer de beste tijd is om te springen of op de rails te gaan liggen, dus laat hij een aantal treinen langs gaan. De machinisten in de treinen kijken geschokt. Het kind ziet dit en beseft dat het verschrikkelijk moet zijn voor machinisten om een kind dood te rijden. Hij springt uiteindelijk niet voor de trein. Wat het kind later ook aan zelfmoordmogelijkheden bedenkt, hij beseft dat iemand hem zal moeten vinden. Dat wil hij een ander niet aandoen en besluit dat hij dan maar moet blijven leven, maar om dat te doen moet het leven wel dragelijk worden. Er worden verschillende strategieën uitgedacht en toegepast om het leven dragelijk te maken. Het autistische kind groeit uit tot een volwassene waarbij zelfmoordgedachten niet meer relevant zijn.
Dit voorbeeld geeft aan dat ook hier wel degelijk sprake is van empathie, van een ToM 3. Daarnaast geeft dit voorbeeld aan hoe een autistisch kind zeer logisch kan redeneren en daardoor tot een logische conclusie kan komen, waarna het zijn creatieve probleemoplossend vermogen inzet om het leven dragelijk te maken.

Deze voorbeelden stroken met de resultaten van onderzoeken die gedaan waren om de werking van de ToM vast te stellen bij 50 tot 85-jarigen met en zonder ASS. Het ging hierbij om de mate van empathie van deze mensen. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er geen of nauwelijks verschil was tussen de volwassenen met en zonder ASS. Bij de volwassen autisten konden er dus geen significante problemen op het gebied van de ToM geregistreerd worden. Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat de ToM geen (chronisch) probleem zou hoeven zijn bij autisten.
Ook kwam uit het onderzoek nog naar voren dat er geen dementerende autisten geregistreerd staan.
Deze resultaten doet wetenschappers vermoeden dat het autistische brein zeer plastisch is en mogelijk altijd door blijft leren en niet, zoals bij andere mensen, rond het 23e jaar stopt met ontwikkelen.

Op zich lijkt er dus geen reden te zijn om grote problemen te verwachten met het ontwikkelen van de ToM en dus van empathie. Aan de andere kant hebben bepaalde onderdelen van de ToM wel een grote invloed op het ontwikkelen van sociale vaardigheden en dus van sociale contacten (zie Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten). De sociale vaardigheden worden daarom vaak bewust aangeleerd door autisten om goed sociaal contact op te kunnen bouwen. Normaal – tot hoogbegaafde autisten pikken dit in de loop der jaren vaak zelf op, maar er wordt ook wel gekozen voor een sociale vaardigheidstraining.
Dit strookt met de recente theorie dat autisten in staat zijn om de ToM aan te leren en dat zij daarbij hun cognitieve vermogens zouden kunnen inzetten. Men gaat er bij deze theorie vanuit dat bepaalde punten wellicht later en niet automatisch en intuïtief (lees: onbewust) gebeurt, zoals bij de meeste mensen, maar beredeneerd moet gaan worden vanuit het logische verstand (lees: bewust).
Wanneer je deze theorie aanhoudt, zou het kunnen betekenen dat wanneer je bewust moet nadenken óver de sociale processen, je je ook veel bewuster bent ván die sociale processen.
Net als bij een taal. Je leert als klein kind meestal automatisch je moedertaal, maar hebt geen weet van de grammatica (de regels van een taal) erachter. Het vormen van zinnen gaat automatisch en intuïtief. De grammatica moet op school aangeleerd gaan worden.
Wanneer je echter later een nieuwe taal leert, is het lastiger. Je moet je deze taal bewust eigen maken waarbij grammatica kan helpen bij het begrijpen en spreken van de taal. Het gaat meestal niet vloeiend en het zal je nooit helemaal eigen worden zoals de moedertaal. Dat wil niet zeggen dat je niet heel goed kan worden in het bezigen van de taal. Het is per persoon verschillend. De een kan heel veel moeite hebben de taal eigen te maken en zal het nooit vloeiend of zonder accent kunnen leren praten. De ander leert de taal bijna zonder accent te gebruiken en veel mensen zullen niet in de gaten hebben dat het niet de moedertaal is van die persoon.
Dit zou met sociale processen ook zo kunnen zijn. Wanneer je je de sociale processen bewust(er) eigen moet maken, leer je de sociale regels meer bewust aan en moet je ook alle uitzonderingen op de regels leren kennen. De regels geven houvast bij het aanleren van een nieuwe manier van doen. Wanneer iemand afwijkt van die regels kan het verwarrend zijn.

Ervan uitgaande dat autisten vaak heel veel ongefilterde informatie binnenkrijgen, er geen specifieke problemen zijn met het empathisch vermogen van autisten en dat de sociale vaardigheden en processen bewust aangeleerd kunnen worden, is het logisch dat de meeste autisten (volwassenen, maar ook kinderen) andere mensen vaak heel goed kunnen ‘lezen’.
Wel is het zo dat de hoeveelheid informatie die overkomt belemmerend zou kunnen zijn en het feit dat neuro-typische mensen regelmatig signalen afgeven die op meerdere manieren geïnterpreteerd kunnen worden en die zelfs tegenstrijdig kunnen zijn met elkaar en met de sociale regels. Wanneer blijkt dat de ander tegenstrijdige informatie overbrengt, kan dit erg frustrerend zijn doordat het onlogisch overkomt. Ook kan hierdoor onzekerheid ontstaan over het eigen doen en laten van de autist, doordat hij weet dat hij de sociale ‘taal’ niet zo vloeiend en natuurlijk spreekt als de ander.
Neuro-typische mensen hebben hier vaak geen weet van, omdat zij meestal intuïtief, dus vanuit het gevoel en onbewust, reageren. Zij vinden de verstandelijke, beredeneerde reacties van de autist vaak lijken op ongevoeligheid en zij vinden autistische mensen daarom vaak niet empathisch overkomen.

Een voorbeeld: een groepje tieners staat te praten, waaronder een autist. Er wordt iets emotioneels verteld waar iedereen in meegaat, maar de autist houdt zich wat afzijdig. Hij heeft het gevoel dat er iets niet klopt, maar kan er de vinger niet op leggen. Er wordt geëmotioneerd verteld, maar de houding klopt niet bij het verdriet en ook de hand- en armbewegingen zijn te ‘emotieloos’. De tegenstrijdige signalen zijn heel klein en vallen nauwelijks op (sommige autisten beseffen op dat moment niet wat de signalen zijn, maar hebben wel een gevoel dat er iets niet klopt). De autist weet niet hoe hij dit moet interpreteren. Want waarom zou het niet kloppen? Waarom zou de persoon een leugen vertellen? Het verhaal lijkt te kloppen, iedereen is geëmotioneerd, dus ligt het aan hem? Kan hij zich onvoldoende inleven of begrijpt hij iets niet? Hij probeert met de anderen mee te doen, want hij weet dat dat van hem verwacht wordt, maar het lukt niet helemaal. De anderen vinden hem daardoor gevoelloos overkomen. Wanneer later blijkt dat de persoon een leugen verteld heeft, zijn alle anderen die bij het gesprek aanwezig waren geschokt en boos, behalve de autist. Deze is opgelucht, omdat nu duidelijk werd waarom de situatie niet klopte. Helaas wordt hij door gebrek aan boosheid weer gezien als gevoelloos. Wanneer hij vertelt dat hij de leugen doorzag, wordt hij niet geloofd, want hij zei er destijds niets over en de anderen vragen hem ook hoe hij dat dan wist of heeft kunnen doorzien (wat lastig uit te leggen is). Daarnaast geeft hij anderen een onbehaaglijk gevoel, omdat hij betweterig klinkt en omdat het hen dom doet overkomen, omdat zij het niet in de gaten hadden en hij blijkbaar wel.
De jeugdige autist leert zich nog meer op de achtergrond te houden en dit soort situaties te vermijden. Hij trekt zich dus nog meer terug en zal minder reageren.

Terwijl autisten in principe echte gevoelsmensen zijn, zullen autisten die bewust hebben leren redeneren over sociale processen, deze processen minder snel vanuit het gevoel benaderen. De tegenstrijdige informatie maakt namelijk vaak onzeker over de boodschap die overgebracht wordt, waardoor het handiger is om de boodschap te benaderen vanuit de (logische) sociale regels dan vanuit het gevoel. Autistische kinderen zijn dit nog volop aan het leren, waardoor het wel eens mis kan gaan. Het hele denken en handelen van de autist zelf en van de ander wordt daarom meestal beredeneerd (zie deel 3), waarbij ook de wederkerigheid vaak wordt gewikt en gewogen.

Voorbeeld: een volwassen autist krijgt zomaar een kleinigheid van de buren. Hij vraagt zich meteen af waarom de buren dit geven, of hij dit aan kan nemen, wat hij moet zeggen om zijn dankbaarheid te tonen (zonder onzekerheid in de stem, wat de dankbetuiging af zal zwakken) en wat hij terug moet doen of geven om het gelijkwaardig te maken en binnen welk tijdsframe hij iets terug moet doen.

Doordat neuro-typische mensen zich de sociale omgangsregels onbewust eigen hebben gemaakt, hebben ze vaak niet in de gaten dat autisten zich die regels bewust hebben moeten aanleren. Doordat bij neuro-typische mensen de informatie die binnenkomt wel gefilterd wordt en zij daardoor niet tegen dezelfde problemen aanlopen als autisten, beleven ze de wereld ook anders dan autisten. De autist is in dezelfde maatschappij opgegroeid als zij, dus gaan ze ervan uit dat de belevingswereld dezelfde is als die van hen. Zij kunnen zich daarom maar moeilijk voorstellen dat een autist anders denkt en doet door een andere beleving en kunnen zich daardoor ook moeilijk inleven in de belevingswereld van autisten. Hierdoor gaan zij ervan uit dat de psychische toestand van autisten hetzelfde is als die van hen en verwachten ze dezelfde reactie van de autist als die zij zouden geven. Wanneer dit niet het geval blijkt te zijn, raken ze in de war. Ze willen dat de autist hetzelfde reageert als zij en kunnen daarom soms dwingend zijn in het opleggen van hun eigen manieren. Eigenlijk is er daardoor geen oog en geen respect voor de beleving en de psychische toestand van de ander, waardoor er regelmatig wrijving ontstaat tussen de neuro-typische mens en de autist.
Autisten proberen zich continue aan te passen aan anderen en zich in te passen in de maatschappij waar een meerderheid van de mensen een andere beleving heeft van de wereld dan zijzelf. Dat kan erg veel spanning opleveren en energie kosten. Een veelgebruikte, aangeleerde strategie hierbij is het zich (strak) houden aan de (sociale) regels, omdat dat houvast biedt om je staande te kunnen houden, waarbij het ook een belemmering kan zijn omdat neuro-typische mensen zich niet zo strak aan de regels houden.

Om dus te zeggen dat autisten moeite hebben met de ToM is slechts gedeeltelijk waar. Wellicht kun je stellen dat het inzicht in anderen zelfs verscherpt is door het bewust beredeneren. Anderen geven vaak, onbewust en onbedoeld, veel, soms tegenstrijdige, informatie wat erg verwarrend kan zijn voor de autist. Vaak is er daarom sprake van onzekerheid over zichzelf ten tijde van het sociale contact. Sommige autisten vinden het daarom makkelijker om contacten te mijden of om mensen niet recht aan te kijken om zo bepaalde signalen niet te hoeven zien.

En tegenwoordig wordt er steeds meer aandacht besteed aan de vraag of de ToM, de empathie, wel zo goed is als vaak gedacht wordt.
De meeste mensen vinden empathie, het vermogen om de gedachten, gevoelens en bedoelingen van een ander te begrijpen en mee te voelen, de belangrijkste vaardigheid die je kunt hebben als mens. Zij vinden dat deze vaardigheid mensen (en maatschappijen) menselijker maakt en vreedzaamheid bevordert.
Maar veel wetenschappers bevestigen dat empathie moeilijk is wanneer de ervaringen van anderen zo anders zijn, door een andere cultuur, voorgeschiedenis, ervaring of beleving bijvoorbeeld, dat je je maar moeilijk in hun situatie in kan leven.
Daarom vinden andere wetenschappers empathie flink overschat. Je hebt namelijk vooral empathie met mensen van de eigen groep, de eigen cultuur, de eigen beleving of ervaring. Daarom is er ook zo’n behoefte aan gelijkgestemden, aan lotgenotencontact; anderen die zich in kunnen voelen in jouw situatie en je daardoor kunnen begrijpen.
Je hebt dus meer affiniteit met mensen van eenzelfde groep. Wanneer iemand niet bij dezelfde groep hoort als jij is het bijvoorbeeld makkelijker hem te veroordelen, te negeren, uit te schelden of pijn te doen. Dat is keer op keer bewezen. Denk maar aan gevechten bij voetbal, oorlogen, gangs, racisme of ‘gewoon’ pesten op school, in de buurt of op het werk doordat iemand een andere levensstijl heeft of een ander geloof, andere kleding, een accent of noem maar op welke reden dan ook.
Empathie opbrengen voor mensen van de eigen groep is, voor de meeste mensen, makkelijk, maar empathie opbrengen voor een andere groep is veel moeilijker. Pas wanneer persoonlijke verhalen verteld worden van iemand van de andere groep, op zo’n manier dat je je in kan voelen, kunnen sommige mensen empathie opbrengen voor die persoon. Om het door te trekken naar anderen van die andere groep is echter weer moeilijker.
Er zijn wetenschappers die daarom zeggen dat empathie in de weg kan staan van rationeel denken en doelgericht handelen. Je laten leiden door gevoelens van een ander is niet altijd goed. Wanneer je het verdriet van een ander zo goed begrijpt dat je er helemaal in meegaat, kan dat niet altijd wenselijk zijn. De ander heeft misschien juist iemand nodig die wel compassie (medeleven) toont, maar niet teveel meevoelt. Gevoelens kunnen namelijk overweldigend zijn en als je je erdoor laat leiden, weerhoudt het je ervan om rationeel te denken waardoor je beslissingen kan nemen die, achteraf gezien, niet altijd even goed zijn (geweest). Daarom zeggen deze wetenschappers dat het beter is om aardig en fatsoenlijk te zijn, voor elkaar te zorgen, medeleven te tonen, in te zien wanneer een ander hulp nodig heeft en daarop reageren, dan dat je je door je emoties laat leiden.
In de politiek wordt empathie regelmatig als middel gebruikt om mensen mee te krijgen zodat zij op hun partij zullen stemmen. Goede doelen gebruiken het om mensen zover te krijgen dat ze geld doneren. De reclamewereld gebruikt het om ervoor te zorgen dat mensen bepaalde producten gaan kopen. De mediawereld gebruikt het, zelfs het nieuws, om meer mensen te laten kijken naar hun kanaal of hun krant te lezen.

Omdat autisten gevoelsmensen lijken te zijn, kunnen hun gevoelens overweldigend zijn. Sommige autisten kijken niet naar het nieuws of lezen geen kranten om niet overspoeld te worden door de vele emoties die daardoor aangesproken worden. Heftige emoties hebben kost vaak veel energie. Die emoties hebben hun nut, maar vooral wanneer het je eigen emoties betreft. Tweedehands emoties van een ander leveren jou bijna niets op en hebben dus eigenlijk weinig nut. Afstand nemen van die emoties is dan beter en je kunt er beter bij nadenken, rationeel blijven. Rationeel zijn is ook een strategie om afstand te kunnen nemen van de heftige emoties. Het nadenken over een situatie of over hoe de media je probeert te beinvloeden kan de tweedehands emoties op afstand houden. Veel autisten (vooral meisjes) hebben al vroeg geleerd om hun gevoel zo veel mogelijk in toom te houden en situaties rationeel te benaderen.

Het lijkt er dus op dat normaal- tot hoogbegaafde autisten wel empathie hebben, maar juist vaak teveel, waardoor een tegenreactie kan ontstaan om afstand te creëeren om zo zichzelf te beschermen tegen ongewenste overweldigende tweedehands emoties. Die afstand kan alleen wel weer moeilijheden opleveren in sociaal contact, doordat anderen de rationele, afstandelijke manier niet goed kunnen begrijpen en er daardoor van uitgaan dat het ligt aan een tekort aan empathie, een tekort aan Theory of Mind.
Hoogbegaafden zijn vaak ook gevoelsmensen en denken graag rationeel over situaties. In dat opzicht lijken hoogbegaafden en autisten dus ook weer op elkaar en zouden elkaars lotgenoten kunnen zijn.

Bij hoogbegaafdheid lijkt er dus sprake te zijn van een asynchronische ontwikkeling, oftewel een scheefgroei in de ontwikkeling van de hersenen. Doordat de mentale leeftijd voorloopt op de chronologische leeftijd wordt er minder aansluiting gevonden bij leeftijdgenootjes, waardoor sociale contacten moeizaam kunnen verlopen. Er moeten aan veel voorwaarden voldaan worden, voordat een hoogbegaafde succesvol kan zijn.
Autisten die normaal- tot hoogbegaafd zijn, vallen minder snel op en kunnen veel compenseren door te beredeneren.
Hoogbegaafde kinderen met en zonder autisme zouden in veel opzichten elkaars lotgenoten kunnen zijn.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende