Kinderen die tegen problemen aanlopen op school hebben vaak een andere (cognitieve) ontwikkeling, waardoor het lesaanbod niet goed aansluit. Door de andere ontwikkeling, kunnen er problemen ontstaan. Een leerstoornis is een voorbeeld van een andere ontwikkeling. Een leerstoornis wordt namelijk gezien als een afwijking in de hersenen waardoor er problemen kunnen ontstaan in het zich aanleren van bepaalde vaardigheden.
Er zijn verschillende leerstoornissen onderkend, namelijk dyslexie, dyscalculie, dysorthografie, dysgrafie, dyspraxie, dysfasie, dysfonetie en dyseidetie. Ook worden hyperlexie en niet-verbale leerstoornissen (nonverbal learning disabilities, NLD) wel eens genoemd, maar deze problemen worden niet in de DSM als zijnde aparte stoornissen omschreven.
Het woord ‘dys’ komt uit het Grieks en betekent ‘slecht’, ‘niet goed’ of ‘beperkt’. De woorden die erachter geplakt zijn hebben betrekking op wat er niet goed gaat, zoals ‘calculie’ (rekenen) of ‘lexie’ (lezen).
Dyslexie betekent dus dat er hardnekkige problemen zijn op het gebied van lezen.
Bij dyscalculie zijn er hardnekkige problemen op het gebied van rekenen en wiskunde.
Dysfasie wil zeggen hardnekkige leerproblemen op het gebied van taal en communicatie.
Bij dysorthografie op het gebied van spelling.
Bij dysgrafie op het gebied van schrijven.
En bij dyspraxie is er sprake van hardnekkige leerproblemen op het gebied van de motorische ontwikkeling.
Bij dysfonetie heeft de persoon in kwestie problemen op het gebied van de fonologie, oftewel de spraakklanken begrijpen.
En bij dyseidetie is er sprake van problemen op visueel gebied, oftewel het onthouden van bijvoorbeeld woordbeelden.
Ook wordt er wel eens gesproken over hyperlexie, waarbij niet het lezen zelf, maar het begrijpen van een tekst moeilijkheden oplevert. Daarnaast wordt de term NLD (niet-verbale leerstoornissen) wel eens gebruikt, waarbij er een stoornis is in de zintuiglijke verwerking van prikkels, waarbij vooral het begrijpen van visuele prikkels moeite oplevert. Maar zoals gezegd komen deze laatste twee niet voor in de DSM als zijnde aparte stoornissen en wordt er hier verder niet op ingegaan.

Veel van de bovengenoemde leerstoornissen hebben te maken met het leren lezen en schrijven, zoals dyslexie, dysorthografie, dysgrafie, dysfonetie en dyseidetie (en hyperlexie). Daarom heeft men deze stoornissen gegroepeerd. Samen zijn ze bekend onder de verzamelnaam: dyslexie.
Wanneer er dus wordt gesteld dat iemand dyslexie heeft, moet er rekening gehouden worden met het feit dat het kan gaan om verschillende moeilijkheden, waarbij de een meer last heeft van bijvoorbeeld de dysfonetie en een ander van bijvoorbeeld de dysorthografie.
De methodes die ontwikkeld zijn ter ondersteuning en behandeling van dyslexie richten zich vaak vooral op het technisch lezen (dyslexie) en de spelling (dysorthografie). Ook zijn er methodes die zich meer richten op het aanleren van het woordbeeld (dyseidetie) om zo het lezen en spellen te leren.
De hulp bij dyslexie wordt echter alleen ingezet (en door de verzekering of gemeente vergoed) wanneer er sprake is van enkelvoudige dyslexie. Dat wil zeggen dat er geen andere problemen mogen zijn dan de (verzamelnaam) dyslexie. Indien er sprake is van comorbiditeit met een andere (leer)stoornis zal er geen hulp gegeven worden, omdat hulpverleners aangeven dat dit de hulpverleningsmethode voor dyslexie ondermijnt, waardoor de behandeling mogelijk niet goed zal werken. Dat is natuurlijk erg jammer, omdat iemand met een comorbiditeit meestal meer ondersteuning en hulp nodig heeft dan iemand met enkelvoudige dyslexie.
Maar ook ingeval er sprake is van enkelvoudige dyslexie kan het voorkomen dat de bestaande methodes voor de behandeling van dyslexie niet goed werken. Mocht iemand namelijk meer problemen op het gebied van de dysgrafie of dysfonetie (of hyperlexie) hebben dan kan het zijn dat de gebruikelijke methodes niet goed aansluiten, waardoor er niet bij iedereen met enkelvoudige dyslexie dezelfde resultaten worden behaald. Het is daarom erg belangrijk in kaart te brengen waar de problemen op het gebied van lezen en schrijven voornamelijk vandaan komen om zo een gerichte, passende ondersteuning te kunnen bieden.

Naast de verzameling van leerstoornissen benoemd als zijnde dyslexie, zijn er ook leerstoornissen die niet gegroepeerd zijn, namelijk de dyscalculie, dyspraxie en dysfasie.
Deze laatste twee vallen wel onder de leerstoornissen, maar worden in de DSM 5 niet bij de subgroep ‘specifieke leerstoornissen’ ingedeeld, omdat dyspraxie en dysfasie wel leerstoornissen zijn, maar ook bij de motorische stoornissen (dyspraxie) en communicatiestoornissen (dysfasie) horen die beiden vallen onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen in de DSM 5 (zie Hoofdstuk 2 Autismespectrumstoornissen volgens de DSM). Dit is gedaan omdat het in de DSM duidelijk moet zijn waar een stoornis bij hoort en het niet bij twee diagnostische groepen tegelijk kan horen. Daarom is ervoor gekozen om de leerstoornissen die te maken hebben met de schoolse vaardigheden rekenen, lezen en schrijven te omschrijven als zijnde ‘specifieke leerstoornissen’. Deze zijn in de DSM 5 op dusdanige wijze omschreven dat het duidelijk wordt dat het een leerstoornis betreft op het gebied van lezen, schrijven en rekenen.
De voorwaarden voor het hebben van een specifieke leerstoornis zijn dat er sprake moet zijn van persisterende (volhoudende of hardnekkige) problemen met het leren op het gebied van lezen, schrijven en/of rekenen waarbij de schoolprestaties, ondanks intensieve hulp van ten minste een half jaar, dusdanig beïnvloed worden dat de vaardigheden meetbaar slechter zijn ontwikkeld dan je van de kalenderleeftijd zou mogen verwachten en waarbij de problemen niet verklaard kunnen worden door een andere oorzaak (bijvoorbeeld door een andere stoornis). In feite wil dit zeggen dat een leerstoornis nooit over gaat en dat het de schoolprestaties in grote mate beïnvloedt, waardoor er een achterstand ontstaat ten opzichte van leeftijdsgenoten, ondanks een gewone intelligentie.

Mensen die een specifieke leerstoornis hebben, hebben dus moeilijkheden met het aanleren van bepaalde schoolse vaardigheden. Wanneer er leerproblemen zijn kan er een screeningstest worden gedaan om te kijken of er een verhoogde kans is op dyslexie of dyscalculie. Wanneer de screeningstest uitwijst dat er inderdaad een verhoogde kans is op een specifieke leerstoornis, dan wordt het kind, over het algemeen, een half jaar intensief ondersteund. Wanneer na een half jaar blijkt dat er, ondanks de extra ondersteuning, geen of nauwelijks verbetering is, kan verder onderzoek gedaan worden door een (GZ-) psycholoog of orthopedagoog (-generalist) om vast te stellen of er inderdaad sprake is van een specifieke leerstoornis.
Regelmatig wordt er dan ook meteen een IQ test afgenomen om te kijken of er geen sprake is van een algehele achterstand of een disharmonisch intelligentieprofiel (verschil verbaal-performaal, zie Hoofdstuk 24 Hoogbegaafdheid), maar het hoeft niet. Het testen of er sprake is van een specifieke leerstoornis kan ook zonder IQ test.
Daarnaast moet bij het af laten nemen van een IQ test in gedachten gehouden worden dat het hebben van een leerstoornis de IQ score nadelig kan beïnvloeden. Dyslexie en dyscalculie kunnen namelijk de uiteindelijke scores van de IQ test beïnvloeden, omdat deze vaak erg talig zijn en gericht op o.a. het redeneren (zie Hoofdstuk 24 Hoogbegaafdheid). Afhankelijk van welke toets er gebruikt wordt en van welke specifieke stoornis er sprake is, kan het wel tot 15 punten schelen, zoals bijvoorbeeld bij de NIO (Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau) en dyscalculie. Doordat dyscalculie de score negatief beïnvloedt, zou er een lager schooladvies gegeven kunnen worden. Sommige scholen geven aan dat de score van de toets, die beïnvloed is door de dyscalculie, wel aangeeft welk schoolniveau minder moeilijkheden op zal leveren voor het kind met de stoornis. Maar daarbij moet niet vergeten worden dat het belangrijk is om de leerling uit te blijven dagen en dat een specifieke leerstoornis niet leidend moet zijn bij het geven van een schooladvies. Hoewel het aan de andere kant ook belangrijk is dat een kind niet gefrustreerd raakt en overvraagd wordt bij bepaalde vakken. Het is vaak lastig om deze kinderen in te passen in het bestaande lesaanbod. Eigenlijk zou een leeraanbod op maat moeten worden aangeboden, maar dat is nauwelijks haalbaar. Daarom komen die kinderen meestal op een lager schoolniveau uit dan wanneer ze geen specifieke leerstoornis gehad zouden hebben.
Ook moet men zich bewust zijn van het feit dat, doordat de specifieke leerstoornis de score van de IQ test mogelijk kan beïnvloeden, hoogbegaafdheid niet zou kunnen worden opgemerkt. Bij hoogbegaafde kinderen kan het zijn dat de specifieke leerstoornis(sen) niet wordt opgemerkt, doordat het kind gemiddelde schoolprestaties laat zien. Een kind dat gemiddeld scoort wordt vaak niet getest op hoogbegaafdheid of een leerstoornis. Bij deze kinderen zouden de moeilijkheden dus niet opgemerkt kunnen worden of als niet relevant kunnen worden gezien, waardoor pas veel later de moeilijkheden aan het licht komen. Soms gaat zo’n kind zijn hele schoolcarrière door zonder dat er een probleem wordt geconstateerd. Een kind kan er echter wel onder lijden. Het is dus belangrijk dat de omgeving goed oplet wanneer een kind aangeeft ergens mee te zitten en het kind serieus neemt.
Het is daarom altijd verstandig om niet geheel af te gaan op een IQ test, maar om ook goed te blijven kijken naar het kind en zijn mogelijkheden en te proberen het kind uit te dagen waar het kan en te ondersteunen waar dat nodig is.

Iemand met een specifieke leerstoornis moet iedere dag weer, minstens 5 uur per dag, 5 dagen in de week, naar een instelling waar de nadruk ligt op rekenen, lezen en schrijven, wat juist die gebieden zijn die moeilijkheden op zullen leveren. Op school wordt iemand met een specifieke leerstoornis dus constant geconfronteerd met zijn stoornis. Dit levert meestal erg veel frustratie op.
Daarnaast werken scholen over het algemeen met een leerlingvolgsysteem dat peilt op welk niveau de leerling zit met lezen, schrijven en rekenen. Kinderen met een specifieke leerstoornis scoren vaak laag op de toetsen, doordat eigenlijk de leerstoornis (dyslexie en/of dyscalculie) getoetst wordt. Daar wordt dus nog eens nadrukkelijk mee bewezen dat het kind een specifieke leerstoornis heeft. Dit is vaak erg demotiverend voor de betreffende kinderen.
Een leerlingvolgsysteem kan heel fijn zijn, maar het is niet altijd even verstandig om het klakkeloos in te zetten bij elke leerling. Hierdoor kunnen sommige leerlingvolgsystemen meer schade doen bij een leerling, dan goed.
Neem bijvoorbeeld de CITO toets. De meeste scholen werken met de CITO toetsen. De toetsen testen hoe goed een kind scoort op bepaalde schoolse vaardigheden (vooral lezen, schrijven en rekenen) ten opzichte van zijn leeftijdsgenoten. Er is een landelijk gemiddelde waarmee de prestaties van de kinderen worden vergeleken.
Doordat veel scholen oefenen met de CITO, leren kinderen hoe de vragen gesteld worden en wat er van hen verwacht wordt. Daarnaast zijn veel lesmethoden de manier van vragen in de loop der tijd over gaan nemen. Hierdoor is het mogelijk dat kinderen steeds beter in staat zijn te begrijpen wat er van hen verwacht wordt waardoor ze vaak beter gaan scoren. Doordat meer kinderen een hogere score behalen, wordt het landelijk gemiddelde hoger en moet de normering van de CITO worden aangepast (wat in 2014 ook is gebeurd). Dat betekent dat kinderen die eerst net boven gemiddeld scoorden, nu gemiddeld scoren. Of kinderen die net gemiddeld scoorden, nu ondergemiddeld scoren. Enzovoort.
Een leerlingvolgsysteem kan dus zeer frustrerend zijn voor kinderen die net even anders zijn dan de gemiddelde leerling en moeite hebben met de vraagstelling of met de gevraagde stof. Het is dan ook van belang om naar het kind te kijken en het nut af te wegen van het toetsen van dit kind volgens het betreffende leerlingvolgsysteem dat op school gebruikt wordt.

Maar niet alleen op school ervaren mensen met een specifieke leerstoornis problemen. Onze huidige maatschappij is vol met taal en rekenen. Zelfs zonder een leerstoornis is het soms al lastig als je kijkt naar alle administratie die je moet doen. Contracten met zorgverzekeraars, energiebedrijven, informatie van de rijksoverheid, belastingpapieren, rekeningen die je moet betalen enzovoort enzovoort. Maar ook wanneer je boodschappen doet, moet je kunnen lezen en rekenen, of wanneer je met het openbaar vervoer naar een afspraak toe moet. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het heeft wel met rekenen en taal te maken. Iemand met een specifieke leerstoornis wordt dus dag in dag uit met zijn stoornis geconfronteerd.
Een specifieke leerstoornis heeft daarom een grote invloed op hoe iemand zich voelt. Wanneer je normaal- tot hoogbegaafd bent, maar je hebt moeite met het aanleren van vaardigheden die op school en in de maatschappij veelvuldig gevraagd worden, kun je het gevoel krijgen dat je dom en stom bent en dat je faalt. Er is iets mis met je. Je kunt je minderwaardig gaan voelen. Alle anderen om je heen lijken geen moeite te hebben met lezen, schrijven en/of rekenen, maar jij wel. Het maakt je anders.
Mensen waarbij er sprake is van een specifieke leerstoornis, hebben daarom dus ook vaker last van frustratie, faalangst, agressie en depressie. Zij moeten vaak meer inspanning leveren en hebben daardoor eerder last van vermoeidheid, buikpijn, hoofdpijn en/of concentratieproblemen.

Zo’n 5 – 10% van de bevolking heeft een specifieke leerstoornis. Specifieke leerstoornissen zijn erfelijk. Dat wil niet zeggen dat wanneer een van de ouders bijvoorbeeld dyslexie heeft, de kinderen het ook zullen hebben, maar wel dat er een verhoogde kans is dat een van de kinderen het zal hebben. Wanneer er een specifieke leerstoornis voorkomt in de familie is het goed om extra alert te zijn op de kinderen en goed te kijken of het kind last ondervindt op school. Wanneer de problemen van een kind tijdig worden gezien en het kind goed geholpen en ondersteund wordt, hoeft het frustratie-niveau bij het kind niet uit de hand te lopen en kan het leren omgaan met zijn stoornis. Wanneer dat gebeurt, zal het kind als volwassene ook minder moeite hebben zich staande te houden in deze maatschappij.

Wetenschappers geven aan dat mensen met een specifieke leerstoornis deze stoornis hebben door een afwijking in de hersenen. Het is niet helemaal duidelijk hoe het komt dat de hersenen van mensen met een leerstoornis anders werken en ook niet hoe die afwijking van de hersenen precies in elkaar zit, maar er wordt wel gesteld dat de informatieverwerking van de hersenen niet goed functioneert. Het schijnt dat de prefrontale cortex (waar de Executieve Functies huizen, zie Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling ) niet optimaal werkt en ook dat de linker- en rechterhersenhelft minder goed met elkaar samenwerken op bepaalde gebieden, zoals bijvoorbeeld de taalverwerking. Bij dyslectici bijvoorbeeld lijkt de linkerhersenhelft minder goed te werken op taalgebied.
Vaak wordt gezegd dat er waarschijnlijk iets mis gaat op het gebied van het opnemen van de informatie die de hersenen ontvangen (integratie). Dit kan zijn tijdens het verwerken van de gegevens in de juiste volgorde (sequencing) of bij het begrijpen van de informatie (abstractie) of bij het gebruiken van de informatie zodat er gedachten over kunnen worden gevormd (organisatie). Eigenlijk zijn dit andere benamingen voor sommige (deel)processen van de Executieve Functies, zoals beschreven in Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling . Deze termen geven echter wel heel duidelijk weer op welke specifieke gebieden van de EF’s er moeilijkheden kunnen zijn wanneer er sprake is van een specifieke leerstoornis.

Autisten hebben evenveel kans op een specifieke leerstoornis als de rest van de bevolking (zie Hoofdstuk 23 Comorbiditeit). Wel is het zo dat de specifieke leerstoornis kan worden versterkt door het autisme, omdat er bij autisme vaak al sprake kan zijn van communicatieproblemen, problemen met de EF’s, taalverwerkingsproblemen of andere aanverwante problemen. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat de leerstoornis juist niet ontdekt wordt, omdat de moeilijkheden toegeschreven worden aan de ASS in plaats van aan de leerstoornis.
Het valt op dat de afwijkingen van de hersenen van mensen met een leerstoornis lijken op de afwijkingen van mensen met een ASS. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er overlappende problemen kunnen ontstaan. Het kan daardoor inderdaad lastig zijn om te bepalen of die moeilijkheden veroorzaakt worden door de ASS of door een specifieke leerstoornis.

Specifieke leerstoornissen hebben vaak een grote impact op het leven van mensen, waarbij de vaardigheden die men nodig heeft in de huidige maatschappij moeilijkheden op kunnen leveren bij het dagelijks leven.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende