Er wordt vaak gezegd dat mensen met een specifieke leerstoornis eerder last kunnen hebben van een comorbiditeit met ADHD en andersom.
ADHD staat voor Attention Deficit/Hyperactivity Disorder, wat betekent dat het een stoornis betreft waarbij iemand moeite heeft met het opbrengen van aandacht, vaak impulsief is en daarbij eventueel hyperactief (overactief) kan zijn.

ADHD is dus een aandachtstekortstoornis die valt onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen in de DSM 5. Er worden drie subtypen onderscheiden, namelijk ADHD-I, ADHD-H en ADHD-C.
ADHD-I kennen de meeste mensen wel als ADD, waarbij er wel sprake is van aandachtstekort, maar niet van hyperactiviteit. Dit komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens.
ADHD-H: kennen maar weinig mensen. Er is hierbij wel sprake van hyperactiviteit en impulsiviteit, maar niet van aandachtstekort. Deze vorm wordt meestal bij hele jonge kinderen waargenomen en men denkt dat het een voorloper zou kunnen zien van subtype 3: ADHD-C.
ADHD-C: kennen de meeste mensen als ADHD, waarbij er een combinatie is van hyperactiviteit, impulsiviteit en aandachtstekort. Deze laatste is het meest bekend en schijnt ook het meeste voor te komen, hoewel er meer jongens last van schijnen te hebben dan meisjes.

Vroeger dacht men dan ADHD alleen voorkwam tijdens de jeugd. Men zou uit de stoornis groeien. Nu denkt men dat dat niet zo is. De symptomen van hyperactiviteit en impulsiviteit nemen vaak wel af naarmate men ouder wordt, maar meestal lijkt het aandachtsprobleem nog wel bestaan. Doordat de hyperactiviteit en impulsiviteit echter afnemen, valt de stoornis minder op. Daarbij kan het feit dat de maatschappij andere eisen stelt aan volwassenen dan aan kinderen ook een rol spelen bij het opvallen van de stoornis op latere leeftijd.
Problemen met de aandacht kunnen echter ook later nog moeilijkheden opleveren in het dagelijks leven. Vooral problemen met innerlijke onrust, plannen of onoplettendheid, zowel op het werk als thuis worden vaak aangegeven als zijnde problemen waar men tegenaan loopt.

Om ADHD vast te kunnen stellen, moet onderzoek plaats vinden. Er is echter geen gestandaardiseerde test om te bepalen of er sprake is van ADHD. De onderzoeker kan zelf bepalen welke tests en observaties hij gebruikt om te zien of er sprake is van ADHD, waardoor er een discussie kan ontstaan over de gestelde diagnose. Daarnaast is het lastig vast te stellen om welk subtype van ADHD het gaat, doordat de verschillen vaak klein zijn.
Ook de hoeveelheid diagnoses die gesteld zijn de afgelopen jaren staat ter discussie. Men vraagt zich af of er niet te snel ADHD is geconstateerd door mensen die daar niet bevoegd voor zijn. Alleen psychiaters, GZ-psychologen, Orthopedagoog-Generalisten, psychologen en orthopedagogen mogen tests afnemen en observaties doen, waarbij alleen de psychiaters, GZ-psychologen en Orthopedagoog-Generalisten een diagnose mogen stellen. En in het geval er medicatie wordt voorgeschreven, zoals Ritalin of Concerta (zie Hoofdstuk 6 Behandeling van Autisme Spectrum Stoornissen), mag dat alleen door een arts, zoals een psychiater, gedaan worden. Ritalin en Concerta hebben een stimulerende werking op het sympathisch zenuwstelsel waardoor de kernsymptomen van ADHD (aandachts- en concentratieproblemen, impulsiviteit en hyperactiviteit) afnemen.

Bij veel mensen rijst de vraag of er bij ADHD wel sprake is van een stoornis. Er wordt aangegeven dat iedereen wel kenmerken vertoont van ADHD en dat de maatschappij in feite bepaalt wat nog als ‘normaal’ wordt beschouwd en wat niet. Daarnaast is de stoornis ADHD is ook niet duidelijk omschreven en zijn er geen specifieke tests voor, wat het stellen van de diagnose bemoeilijkt. Men stelt dat de kenmerken die mensen met ADHD vertonen in principe normaal zijn, maar alleen wat explicieter naar voren komen dan bij de meeste mensen. Iedereen heeft namelijk wel eens moeite met concentreren, is wel eens impulsief of erg actief. Om mensen die daar meer last van hebben te bestempelen als hebbende een stoornis, vinden sommigen te ver gaan. Ook wordt vaak benadrukt dat het slechts een probleem is dat zich in bepaalde situaties, wanneer er bepaalde taken gevraagd worden, voordoet en niet altijd. Daarnaast krijgen kinderen met ADHD al snel medicatie waar velen het niet mee eens zijn.
Ook dit is een punt dat ter discussie staat. Sommige wetenschappers geven aan dat ADHD is ontstaan vanuit de farmaceutische wereld. De medicatie tegen ADHD is namelijk niet ontstaan vanuit onderzoek naar ADHD, maar andersom. ADHD lijkt te zijn ontstaan vanuit onderzoek naar de werking van de medicatie, waarbij toevallig aan het licht kwam dat het onrustige kinderen rustiger en geconcentreerder kan maken. Het is uitgegroeid tot een miljoenenindustrie met kinderen en volwassenen die dagelijks de medicatie innemen.
Er is dus veel over ADHD te doen en het label staat al jaren ter discussie.

Volgens veel wetenschappers kan ADHD echter wel als een stoornis gezien worden, omdat zij zeggen dat uit onderzoek is gebleken dat mensen met ADHD een afwijking hebben op hersengebied. Het zou genetisch bepaald zijn, waarbij er een grotere kans is op ADHD wanneer ADHD in de familie voorkomt. Een recent onderzoek liet zien dat ADHD ook terug te vinden zou kunnen zijn in het DNA, hoewel meer onderzoek nodig is op dit gebied.
Vroeger werd gedacht dat omgevingsfactoren tijdens het opgroeien ADHD zouden veroorzaken, maar dat blijkt niet het geval te zijn. Wel kunnen omgevingsfactoren een rol spelen bij het meer of minder opvallen van ADHD. Hoe ermee wordt omgegaan door de omgeving kan dus een rol spelen in hoeverre ADHD ‘zichtbaar’ wordt.

De vermeende afwijking op hersengebied bij mensen met ADHD houdt in dat er een verminderde hoeveelheid neurotransmitters lijkt voor te komen in de prefrontale kwabben, dus bij de prefrontale cortex waar de EF’s huizen.
Neurotransmitters geven signalen door. Wanneer er minder neurotransmitters zijn of wanneer deze niet goed werken, worden er ook minder signalen doorgegeven. Hierdoor kunnen problemen ontstaan met informatieoverdracht of informatieverwerking.
Omdat er minder neurotransmitters voor lijken te komen in de prefrontale kwabben, kunnen er meer problemen ontstaan bij de prefrontale cortex. De neurotransmitters in de prefrontale kwabben zorgen echter ook voor communicatie (informatieoverdracht) met meer naar achtergelegen delen van de hersenen, waardoor daar ook problemen kunnen ontstaan. Onderzoek toont aan dat vooral de kleine hersenen, de pariëtale cortex en het stratium een afgenomen activiteit lijken te hebben of zelfs kleiner lijken te zijn dan bij andere mensen.
De kleine hersenen controleren de bewegingen, de pariëtale cortex zorgt voor de zintuiglijke informatie en het stratium zorgt voor het sturen van de motorische activiteit.
Vooral de neurotransmitters dopamine en noradrenaline lijken problemen op te leveren bij mensen met ADHD, waardoor zij binnenkomende informatie minder goed kunnen filteren en de ‘remfunctie’ minder goed werkt. Dat laatste wil zeggen dat zij minder nadenken voor zij doen doordat er minder rem zit op de emoties die het gedrag leiden. Emoties worden daardoor ook vaak meteen uitgedragen. Ook de motorische impulsen worden minder geremd dan bij anderen, waardoor stil zitten vaak moeilijk is. Volwassenen hebben hier (schijnbaar) minder moeite mee, omdat zij waarschijnlijk hebben geleerd hoe ze hiermee om kunnen gaan en er andere eisen aan hen gesteld worden op het werk dan aan kinderen op school.
Naast deze problemen, wordt er ook vermoed dat ook de communicatie tussen de rechter- en linker-hersenhelft lastiger is bij mensen met ADHD.

In het dagelijks leven zien we dat veel mensen met ADHD in meerdere of mindere mate moeite hebben om de informatie die binnenkomt te ordenen (EF: organisatie, zie executieve functies Hoofdstuk 16 Cognitieve ontwikkeling ) en te verwerken (EF: werkgeheugen). Ook het richten en vasthouden van de aandacht (EF: inhibitie) is vaak lastig, waardoor ze snel afgeleid zijn door prikkels uit de omgeving. Het schakelen tussen activiteiten (EF: flexibiliteit), oftewel het verplaatsen van de aandacht, levert meestal ook problemen op. Hierdoor is het lastig om aan een taak te gaan beginnen (EF: taakinitiatie) en het werk op tijd af te krijgen (EF: timemanagement). Het plannen van een activiteit (EF: planning) wordt daardoor erg lastig. Dit is niet bevorderlijk voor het bedenken van en werken aan bepaalde doelen (EF: motivatie) en het overzicht te bewaren en te evalueren over jezelf en de situatie (EF: metacognitie). Al eerder in het stuk kwam naar voren dat er problemen zijn om de emoties, en daardoor ook het gedrag, onder controle te houden (EF: emotieregulatie).
Kortom, wanneer er sprake is van ADHD, lijkt dit vooral problemen op te leveren met de Executieve Functies, waardoor het lastig kan zijn om goed mee te kunnen komen met bepaalde taken thuis, op school of op het werk.

Vaak wordt aan kinderen met ADHD ook een lager schooladvies gegeven door de concentratie- (en leer-) problemen. Veel mensen met ADHD hebben moeite met scholing en zullen daardoor vaak minder goed betaalde banen krijgen, wat weer tot gevolg heeft dat ze ook eerder in achterstandswijken terecht komen. Hierdoor zie je vaak meer mensen met ADHD in een lager sociaal milieu.
Veel kinderen met ADHD hebben moeite met sociale relaties doordat zij druk zijn en vaak als dominant gezien worden. Dit is niet bevorderlijk voor het opbouwen van het zelfbeeld. Veel mensen met ADHD kunnen daardoor ook last van depressie krijgen.
Daarnaast hebben veel mensen met ADHD meer moeite met het krijgen van voldoende slaap doordat zij minder goed kunnen plannen, waardoor zij vaak pas later naar bed gaan en ook door problemen met inslapen door de lichamelijke onrust.
Vermoeidheid komt veel voor bij mensen met ADHD, niet alleen door de slaapproblemen, maar doordat alles hen meer moeite en meer energie kost. Het plannen van activiteiten kan namelijk verschrikkelijk veel energie kosten wanneer er moeite is met de EF’s. Iedere dag op tijd opstaan, naar school toe gaan, de dag doorkomen en dergelijke kan daardoor zeer vermoeiend zijn.
De impact van ADHD op het dagelijks leven kan dus groot zijn.

We zien dan ook weer dezelfde soort problemen ontstaan als bij ASS, hoogbegaafdheid en specifieke leerstoornissen. Het anders zijn, het anders denken en beleven, zorgt voor veel problemen waar, naast het anders zijn, ook nog mee omgegaan moet worden.
Een comorbiditeit kan de druk nog vergroten. Een autist met ADHD zal bijvoorbeeld nog meer dan normaal moeite kunnen hebben met het ordenen van de informatie die binnenkomt. De chaos in het hoofd zal alleen maar toenemen en er zullen waarschijnlijk minder mogelijkheden zijn om hier zelf orde in te krijgen. Ook zouden er grote problemen kunnen ontstaan met de aandacht en concentratie, waardoor het leren wordt bemoeilijkt. De al lastige emotieregulatie zal nu wellicht nog moeilijker worden en de frustratie zal daardoor hoogstwaarschijnlijk alleen maar toenemen, waardoor er meer externaliserend gedrag voor zal komen.
ADHD zal, over het algemeen, de problemen waar een autist normaal gesproken tegenaan loopt vergroten.

Ditzelfde geldt voor mensen met een specifieke leerstoornis en ADHD. Aan het begin van dit hoofdstuk werd naar voren gebracht dat een comorbiditeit van ADHD en een specifieke leerstoornis vaak voor lijkt te komen. Dit kan verklaard worden doordat kinderen met een leerstoornis sneller afgeleid zijn, omdat het hen meer energie kost om de hele dag bezig te moeten zijn met hun stoornis (lezen/rekenen) en mensen die snel afgeleid zijn, meer moeite hebben zich te concentreren op de lesstof waardoor het leren bemoeilijkt wordt.
Mensen met ADHD hebben dus vaker moeite met het leren en mensen met een specifieke leerstoornis hebben vaker moeite met het behouden van de concentratie. In dat opzicht lijken veel van de besproken stoornissen op elkaar. Ze hebben veel overlappingen wat betreft moeilijkheden. Het is dan ook logisch dat ze onder dezelfde categorie vallen in de DSM. Maar even logisch is het dat het daardoor ook lastig is om vast te stellen waar het zwaartepunt van de problemen ligt en dus om welke stoornis het gaat.

Mensen met ADHD lijken een andere ontwikkeling in de hersenen te hebben, waardoor moeilijkheden kunnen ontstaan op het gebied van aandacht, impulsiviteit en hyperactiviteit.
ADHD heeft een grote impact op het dagelijks leven en daarmee de kwaliteit van leven. In vele opzichten lijken ASS, hoogbegaafdheid, specifieke leerstoornissen en ADHD op elkaar.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende