In Hoofdstuk 26 ADHD kwam naar voren dat de hoeveelheid diagnoses die gesteld wordt vragen op doen rijzen bij mensen. Men is bang dat er te snel een diagnose gegeven wordt.
In DEEL 3 en Hoofdstuk 24 Hoogbegaafdheid kwam al naar voren dat veel van de problemen die autisten tegenkomen te maken lijken te hebben met het zich begeven in maatschappelijke settings waar andere (neuro-typische) mensen bepaalde verwachtingen hebben over hoe iemand zou moeten zijn. Ook kwam naar voren dat dit mensen zijn die de wereld meestal niet hetzelfde beleven als autisten en zich moeilijk in kunnen leven in de beleving van de autist. Autisten kunnen echter moeilijk buiten de maatschappij leven, waardoor ze iedere dag te maken krijgen met dit soort situaties. Omdat de meerderheid van de mensen geen moeite heeft om in de maatschappij te leven, doordat hun beleving aansluit bij die van de meeste anderen, stellen zij regelmatig de vraag: “Waarom worden er tegenwoordig meer diagnoses gesteld dan vroeger? Vroeger waren er niet zoveel mensen met ASS, ADHD, dyslexie enzovoort. Hoe komt dat toch?”

In dit deel van het boek wordt getracht deze vraag te beantwoorden. Omdat de beleving en opvattingen van mensen nauw samenhangt met maatschappelijke waarden en normen (zie Hoofdstuk 24 Hoogbegaafdheid), is het belangrijk dat er gekeken wordt hoe bepaalde veranderingen zijn opgetreden in de maatschappij. Want een maatschappij is niet statisch, maar dynamisch. Het verandert in de loop der tijd. En daardoor veranderen de waarden en normen die er heersen en dus verandert ook de beleving van mensen over wat ‘normaal’ is. De maatschappij waar autisten tegenwoordig mee te maken krijgen is heel anders dan de maatschappij in vroeger tijden. Om een beeld te krijgen waarom de huidige maatschappij is zoals hij is, is het belangrijk te weten hoe de maatschappij vroeger was ten opzichte van nu en hoe men tot bepaalde denkbeelden is gekomen. Het huiselijk leven, opvoeding, onderwijs, opvang, school, werk en psychiatrie komen in dit deel van het boek aan de orde. Hierbij wordt niet diep ingegaan op de verschillende onderwerpen, maar wordt er getracht globaal een weergave te geven van veranderingen in de maatschappij en daarmee van veranderingen in opvattingen (en de beleving) van mensen.

Thuis

Het huiselijk leven is veel veranderd in de loop der tijd. Vroeger leefde men in kleine dorpjes of stadjes. Reizen deden gewone mensen vrijwel niet, behalve wellicht af en toe naar de dichtstbijzijnde stad waar de markt werd gehouden. Nieuws over wat er in de rest van de wereld gebeurde kwam maar mondjesmaat binnen. Iedereen kende elkaar, families woonden meestal niet ver bij elkaar vandaan. Iedereen had zijn eigen taken. Er waren maar weinig mensen die konden lezen en schrijven. Een beetje kennis van rekenen (optellen en aftrekken) en lezen was wel handig als je handelde, verder was het niet noodzakelijk. De meeste mensen werkten vooral aan huis of op het veld. De kinderen hielpen mee waar mogelijk. Er werd samen geleefd en gewerkt in, rond of in ieder geval niet ver weg van het huis.
Het was een omgeving die erg vertrouwd was. Mensen kenden niet anders en wisten precies wat er van hen verwacht werd. Het was een omgeving met strikte regels. Wanneer je van die regels afweek, werd jij er vaak niet alleen op aangekeken, maar ook je familie. Volgde je de regels en deed je gewoon je taken, dan was er niets aan de hand. Wanneer je hulp nodig had, waren er familieleden en buren die je konden helpen.

Later begon dit langzaam te veranderen. De ambachtelijke werkplaatsen, zoals een bakkerij of smederij, moesten plaats maken voor fabrieken. Door de komst van fabrieken, vaak dicht bij een stad, vertrokken veel mensen naar de stad om werk te zoeken. De afstanden tussen families werden groter en het contact verliep moeizamer (men kon immers vaak niet lezen). In de steden kwamen steeds meer mensen te wonen. De huizen waren klein en meerdere gezinnen woonden in een ruimte. Vaak moesten beide ouders werken voor de kost. Meestal gingen kinderen ook al jong uit werken en maakten ze even lange dagen als de ouders. Het wonen en werken vond daardoor steeds meer gescheiden plaats. Veel ouders werkten samen met hun kinderen in dezelfde fabriek, maar nadat sommige wetten van kracht werden (zoals de schoolwet), werd dit anders. Vrouwen bleven waar mogelijk thuis om voor de kinderen en het huishouden te zorgen, de kinderen gingen naar school en de vaders gingen uit werken.

Ook verschoof de manier van informatieoverdracht en de hoeveelheid informatie die overgedragen werd. Eerst waren er boodschappers of rondreizende handelaren die de meeste informatie overbrachten. Boeken werden geschreven door monniken en waren alleen bestemd voor de allerrijksten. Later begonnen rijke mensen boeken en artikelen te schrijven over onderwerpen als sociale normen, opvoeden, koken en wetenschap. Nog weer later begon ook het gewone volk over deze onderwerpen te schrijven doordat steeds meer mensen leerden leren lezen en schrijven en door uitvindingen als de drukpers. Er kwamen steeds meer boeken, tijdschriften en kranten. Hierdoor kwam er ook meer informatie beschikbaar voor de gewone huishoudens. De uitvinding van de radio en de televisie maakten mogelijk dat de informatie steeds sneller bij de gewone huishoudens terecht kon komen.

De ontwikkeling rond de informatieverspreiding maakte ook mogelijk dat mensen eerder en beter werden geïnformeerd over bijvoorbeeld hygiëne. Door ontwikkelingen op medisch vlak, betere hygiëne en beter voedsel nam de kindersterfte af. Hierdoor groeide het aantal grote gezinnen. Gezinnen met tien of meer kinderen waren geen uitzondering.
Later werden de gezinnen weer kleiner door de komst van anti-conceptiemiddelen. Met het kleiner worden van de gezinnen en het verbeteren van de woningen (o.a. door liefdadigheidsorganisaties en woningwetten), kregen mensen meer ruimte en moderne middelen (stromend water bijvoorbeeld) in hun huis. De huizen werden (en worden nog steeds) langzaamaan steeds groter, omdat er meer behoefte bleek te ontstaan om een eigen plek te hebben waar je je terug kon trekken. Doordat de gezinnen kleiner werden en de huizen verbeterden, ontstond er ook meer ruimte.

De laatste decennia zijn de ontwikkelingen heel snel gegaan. Dit heeft ook grote invloed op hoe er thuis geleefd wordt. De tendens waarbij mensen naar de stad trekken voor werk en woonruimte gaat nog steeds door. Op dit moment wonen er meer mensen in steden dan op het platteland. Om al deze mensen woonruimte te kunnen bieden, groeien de steden. Er worden wijken aan de rand van steden bijgebouwd. En door de ontwikkelingen op het gebied van het vervoer, zijn ook veel stadjes en dorpen rond de steden erg gegroeid in de afgelopen eeuw. Door de verbetering van het vervoer is het steeds makkelijker geworden om verder weg te wonen van familie, werk, recreatie enzovoort.

Daarnaast zijn er, door de emancipatie, weer steeds meer vrouwen gaan werken. Hierdoor zie je dat tegenwoordig meestal weer beide ouders werken. Het huishouden en de opvoeding worden daardoor vaker verdeeld tussen de ouders. Ook gaan de meeste kinderen naar de kinderopvang of oppas, waarbij een deel van de opvoeding uitbesteed wordt en dit vaak buitenshuis plaatsvindt.

Doordat de werktijden korter zijn geworden, is er meer vrije tijd gekomen. Maar zelfs met meer vrije tijd, lijken mensen (zowel volwassenen als kinderen) drukker te zijn dan vroeger in bepaald opzicht. De meeste mensen zijn, voor nuttige besteding van de vrije tijd en voor sociaal contact, aangesloten bij een club, zoals bijvoorbeeld een sport-, handwerk- of schaakclub. Andere mensen doen vrijwilligerswerk of doen een cursus. Ook worden sociale contacten met familie en vrienden onderhouden in de vrije tijd.
Mensen zijn daardoor veel onderweg naar bijvoorbeeld het werk, de opvang, winkels, sociale contacten, clubs, cursussen en dergelijke. Om op tijd op al die locaties te kunnen komen wordt er heel wat afgereisd.

Door al die activiteiten en het reizen wordt het grootste deel van de dag buitenshuis doorgebracht, waarbij men meestal veel mensen ontmoet. Hierdoor is de behoefte aan een eigen plek thuis belangrijker geworden. Maar ook daar lijkt een kentering in te komen. En wel door de digitalisering. Door digitalisering hoef je namelijk nooit zonder informatie, sociale contacten, ontspanning en dergelijke te zitten. Het is 24/7 beschikbaar, waar en wanneer je maar wilt. De wereld buiten is daardoor ook onderdeel van de thuiswereld geworden. En digitalisering geeft toegang tot andere werelden waarin je geheel op kan gaan. Men leeft en/of werkt samen, maar vaak is men tegenwoordig ieder apart bezig met de wereld buitenshuis of een (eigen) andere ‘wereld’.
Met het nog steeds doorgroeien van steden wordt de beschikbare ruimte om te wonen minder en zullen de huizen wellicht weer wat kleiner worden. Digitalisering maakt daarbij mogelijk dat de behoefte aan een eigen plek thuis minder wordt (en dus de behoefte aan een groot huis), doordat men tegenwoordig vaak bezig is met zijn eigen apparatuur en minder met de mensen er omheen.
Thuis is daardoor minder een plek geworden waar samen wordt geleefd, gewerkt en ontspannen. Het wordt steeds meer een plek die men samen deelt (maar minder samen beleeft). Er wordt, in sommige gezinnen, zelfs niet meer standaard samen gegeten. Ieder heeft zijn eigen kalender en bezigheden, waardoor samen eten niet altijd meer vanzelfsprekend is.

Ook moet worden opgemerkt dat veel gezinnen een andere samenstelling hebben gekregen dan dat vroeger gebruikelijk was, bijvoorbeeld een ouder gezinnen, gezinnen met homoseksuele ouders, gezinnen waarbij de kinderen deels bij de ene ouder en deels bij de andere ouder wonen of samengestelde gezinnen waarbij kinderen van meerdere gezinnen in een huis wonen bij biologische en niet-biologische ouders. Ook leven er vaak meer mensen van verschillende achtergronden en gewoonten bij elkaar in de buurt, waardoor de samenleving multicultureel is geworden.
Hierdoor is er, aan de ene kant, wel meer ruimte gekomen voor mensen die dingen op een andere manier doen. Mensen hebben meer ruimte gekregen om ‘zichzelf’ te zijn en zich te ontwikkelen. Er is meer vrijheid om ‘je eigen ding’ te doen, zoals bijvoorbeeld de keuze bij welke club je je aansluit of welke kleding je draagt. Daarbij wordt er steeds meer verwacht dat iemand een eigen identiteit heeft en zelf keuzes maakt.
Aan de ene kant is dat goed, want het geeft iemand ruimte, maar aan de andere kant is er op deze manier steeds minder sprake van een gemeenschappelijke identiteit. Omdat een gemeenschappelijke identiteit zeer belangrijk is voor het ontwikkelen van de eigen identiteit, wordt deze dan ook vooral gezocht door zich aan te sluiten bij clubs of sociale media.
Daarnaast moeten de strikte regels van de samenleving flexibeler worden ingezet door de variatie aan culturen en meningen. Dit is fijn, omdat er daardoor meer ruimte is voor ieder om eigen manieren te ontwikkelen, maar het betekent ook dat de regels daardoor minder doorzichtig zijn geworden. Per sociale situatie kunnen de regels die gebruikt moeten worden verschillen. Ook de sancties op het breken van de regels verschillen per situatie. Welke regels en sancties er voor jou gelden hangt bijvoorbeeld sterk af van waar en met wie je woont. Er is namelijk een heel verschil of je bijvoorbeeld in een multiculturele woonwijk in een stad woont of in een dorpje met allemaal mensen met soortgelijke achtergronden. Daarnaast heeft ieder (samengesteld) gezin zijn eigen manier van doen, zijn eigen cultuur.

Wat we dus zien is dat het huiselijk leven in de loop der eeuwen over het algemeen drukker is geworden. Er wordt meer gereisd, familieleden en vrienden wonen vaak niet meer bij elkaar in de buurt en ook werk, opvang en vrije-tijdsbestedingen zijn niet altijd meer om de hoek. Hierdoor hebben mensen ook meer reis- en vrije tijd nodig om bijvoorbeeld de sociale contacten te kunnen onderhouden en de eigen identiteit te kunnen ontplooien door contact te leggen met gelijkgestemden op bijvoorbeeld clubs.
Er is tegenwoordig ontzettend veel informatie beschikbaar over wat er in de wereld gaande is. En er kunnen verschillende culturen zijn binnen de eigen buurt waar rekening mee gehouden moet worden. Ook zijn er steeds meer gezinnen met een andere samenstelling of gezinnen die zijn samengesteld uit verschillende gezinnen, waardoor er rekening gehouden moet worden met samengestelde gewoontes. De sociale regels zijn daardoor vager geworden en kunnen sterk verschillen per gemeente, wijk, straat en huishouden. Men moet zich echter wel aan de regels houden en kunnen anticiperen op de verschillen. Dit betekent ook dat men moet kunnen schakelen tussen verschillende sociale regels voor verschillende sociale groepen/gelegenheden. Door digitalisering kunnen mensen opgaan in hun eigen wereld, waardoor contacten om hen heen minder intensief kunnen worden beleefd. Er wordt steeds meer nadruk gelegd op individualiteit; de gemeenschappelijke identiteit wordt minder. Iedereen is echter wel op zoek naar een gemeenschappelijke identiteit. Omdat die minder voorhanden is in de gemeenschap waarin men leeft, wordt die identiteit gezocht in de club waarbij men is aangesloten. Het gevoel bij een groep te horen is heel erg belangrijk voor het ontwikkelen en behouden van de eigen identiteit en het zelfbeeld (zie Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten). Op die manier weet je dat er mensen om je heen zijn die in bepaalde opzichten hetzelfde zijn en/of denken als jijzelf.

Voor autisten (en anderen die anders denken) kan het leven van vroeger goed zijn geweest. Het leven in een kleine gemeenschap waar de regels en taken duidelijk waren, hoeven geen belemmering te zijn geweest om ten volle mee te kunnen doen in de leefomgeving. Hoewel de andere manier van denken ook wel eens frustrerend zal zijn geweest in een samenleving met een rigide kijk op hoe het leven hoorde te zijn.
Ten tijde van de industrialisatie kan het leven voor veel mensen die snel overprikkeld raken een stuk moeilijker zijn geweest. Door de lange werkdagen en veel mensen die dicht op elkaar leefden, was er een constante stroom aan prikkels te verwerken wat veel spanning gegeven kan hebben. Hoeveel mensen dit hebben ervaren, zullen we nooit weten, want de psychiatrie stond in die tijd nog in de kinderschoenen (zie verderop in dit deel) en autismespectrum (en andere) stoornissen waren nog niet ‘uitgevonden’ (zie Hoofdstuk 1 Het ontstaan van autismespectrumstoornissen).
Na de industrialisatie verbeterde het huiselijk leven voor veel mensen (ook autisten), doordat de gezinnen minder groot werden en er meer ruimte kwam voor mensen om te wonen waar ze wilden door de ontwikkeling van de vervoersmiddelen.
Maar men leeft tegenwoordig ook steeds verder weg van bijvoorbeeld het werk en de sociale contacten, waardoor er meer gereisd wordt/moet worden. Daarnaast wordt verwacht dat de vrije tijd die je hebt ingevuld wordt met nuttige activiteiten, zoals bijvoorbeeld zelfontplooiing door middel van een cursus. En de vrije tijd wordt vaak benut om te zoeken naar een gemeenschappelijke identiteit, omdat die niet altijd meer voorhanden is in de eigen omgeving. Doordat iedereen moet kunnen doen wat bij hem past en we in een multiculturele samenleving leven, zijn de sociale regels minder duidelijk geworden. Men moet op verschillen kunnen anticiperen en ertussen schakelen. De constante stroom aan informatie en de digitalisering zorgt ervoor dat mensen wel samen leven (en werken), maar minder samen beleven.
Dit alles lijkt een steeds grotere druk te leggen op mensen. Een druk die niet iedereen altijd even goed aankan.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende