Al sinds de oudheid is er over opvoeding nagedacht en erover geschreven. Opvoeding en onderwijs gaan al sinds mensenheugenis hand in hand en lopen in elkaar over. Tegenwoordig associëren we onderwijs en leren met een school en leerkrachten, maar in feite betekent onderwijs het overbrengen van kennis, het aanleren van vaardigheden en ergens inzicht in krijgen. Dit moet dan wel gebeuren op een georganiseerde manier, dus men doet dit bewust en structureel. Vroeger werd er dus ook al onderwezen, zowel thuis als elders. Kinderen werd namelijk structureel geleerd wat ze nodig hadden om later voor zichzelf te kunnen zorgen.

Hieronder volgt een kort overzicht van een paar vooraanstaande filosofen die geschreven hebben over de opvoedingsleer. Het doel hierbij is om inzicht te krijgen in de verschillende denkwijzen van deze mensen in de loop der tijden.

In de oudheid hadden vooral Plato, Aristoteles en Augustinus van Hippo uitgesproken meningen over opvoeding en onderwijs.
Plato (Grieks, ± 350 voor Christus) vond dat kinderen geboren worden met bepaalde kennis, maar dat kinderen niet bij de ouders moeten opgroeien, maar in een staatsinstelling, waar de kinderen de juiste dingen leren die bij hun sociale status past.
Aristoteles (Grieks, ± 350 voor Christus) daarentegen vond dat goed leven door goed handelen komt en dat dit aan kinderen moet worden geleerd. Door deugdelijk te zijn en hard te werken, door te leven naar de normen en waarden van de samenleving, krijgt een mens, volgens hem, voldoening.
De bisschop Augustinus van Hippo (Algerijns, ± 400 na Christus) vond dat kinderen gauw geneigd zijn tot het kwade en gedisciplineerd dienen te worden. Censuur neemt ook een belangrijke plek in, want het kind mag niet zomaar alles lezen of ter ore komen, om te vermijden dat het ondeugdelijke dingen zal gaan doen.

In de middeleeuwen nemen de kerk en het christelijke geloof een zeer belangrijke plek in bij het opvoeden en het onderwijs. De zonden van de mens (en het kind) stonden daarbij vaak voorop, zoals bisschop Augustinus al verkondigde.
Erasmus (Nederlands, 1466 – 1536) zette zich daar echter steeds meer tegen af. Hij vond dat kinderen een onbeschreven blad waren die door de opvoeding in vorm gekneed zouden moeten worden. Wanneer het kind dingen deed die niet door de beugel konden, lag het aan de opvoeding van het kind. Erasmus vond taal heel belangrijk bij het opvoeden, want wanneer een kind niet goed zou worden opgevoed en niet goed in de taal zou worden onderwezen, was het minder waard dan een dier, omdat mensen taal op een verheven manier kunnen gebruiken en dieren niet. Daarentegen vond hij dwang en vrees in de opvoeding niet kunnen. Complimenten geven waren juist zeer belangrijk.

Na de middeleeuwen waren er steeds meer mensen die hun mening en ideeën verkondigden, doordat steeds meer mensen konden lezen en schrijven.
Comenius (Nederlands, 1592 – 1670) bijvoorbeeld heeft veel gedaan voor het taalonderwijs. Hij vond de hiërarchische indeling van God, mens en natuur heel belangrijk. Hij streefde naar alwijsheid van de mensen.
John Locke (Engels, 1632 – 1704) vond dat kinderen bij de geboorte nog niets wisten (net als Erasmus) en dat ze zich alle kennis eigen moesten maken. Een opvoeder moest een goed voorbeeld zijn en kinderen uitlokken en inspireren. Dwingen leidde nergens toe.
Ook Rousseau (Zwitsers, 1712 – 1778) vond dat een kind een onbeschreven blad was, maar dat hij uit zichzelf een nieuwsgierigheid had die hem deed leren. De drang om te leren kwam dus, volgens hem, vanuit het kind zelf en hij stelde dat kinderen niet in en door de samenleving opgevoed moesten worden, maar ver weg van de maatschappij op een plek waar ze samen met elkaar konden ontdekken en leren.

In de twintigste eeuw komt de naam John Dewey (Amerikaans, 1859 – 1952) naar voren. Een kind is, volgens hem, geen onbeschreven blad dat de opvoeder moet vullen. Hij vond dat kinderen zelfstandig moesten leren binnen een onderwijssetting, want een school was, volgens hem, de maatschappij in het klein waar een kind uit kon groeien tot een gedegen burger.

Zoals in het bovenstaande te lezen is, veranderden de zienswijzen en ideeën rondom opvoeding en onderwijs in de loop der tijd. Sommige zienswijzen zie je keer op keer weer terug komen, anderen niet. Over het algemeen kan gezegd worden dat de visies op opvoeding nauw samenhangen met de tijdgeest waarin deze filosofen zich bevonden. Sommige filosofen zetten zich ertegen af, anderen gingen er juist helemaal in mee. De politiek en de religie speelden bij alle filosofen een grote rol bij het vormen van hun denkbeelden.
In hoeverre deze denkbeelden tot de gewone mensen doordrongen en hen inspireerden is minder bekend. Over het algemeen werden kinderen opgevoed door het gezin en de omgeving (de buurt, familieleden en anderen) volgens de geldende waarden en normen voor die tijd. De allerkleinsten werden verzorgd en de wat oudere kinderen deden mee met de taken die er gedaan moesten worden. Op die manier leerden de kinderen wat er van hen verwacht werd en hoe ze zich behoorden te gedragen. Des te ouder het kind, des te meer het werd geacht mee te helpen met de ouders tot het oud genoeg was om zelf uit werken te gaan. De kerk speelde eeuwenlang een grote rol in het dagelijks leven en dus ook bij de opvoeding.
Naarmate de medische wetenschap zich ontwikkelde en de levensomstandigheden verbeterden, groeiden gezinnen doordat er minder kindersterfte was (zie Hoofdstuk 27 Veranderingen in het huiselijk leven). Door de grotere gezinssamenstelling en/of doordat vaak beide ouders moesten werken, was er meestal weinig tijd meer om de kinderen individuele aandacht te geven. De oudere kinderen werden daardoor meer ingezet om te helpen bij het opvoeden van de jongeren of de opvoeding werd uitbesteed ingeval beide ouders moesten werken.

Ruim 200 jaar geleden werden kinderen als kleine volwassenen beschouwd en ook als zodanig benaderd. Men verwachtte in die tijd van kinderen dat zij zich dan ook hetzelfde zouden gedragen als de volwassenen. Dit is ook de tijd waarin kinderen werden geacht zich netjes te gedragen en dat ze stil en rustig moesten zijn. De regel dat je alleen mag spreken wanneer je aangesproken wordt werd destijds belangrijk geacht. En er werd vaak streng (en hardhandig) opgetreden tegen kinderen, zodat ze zouden doen wat juist was.

Langzaamaan zijn de manier van opvoeden en de visie op opvoeding echter veranderd. Tegenwoordig zijn er verscheidene uiteenlopende visies over opvoeding. Toch zie je dat een aantal punten binnen deze visies overeenkomen. Er wordt nu, over het algemeen, vanuit gegaan dat kinderen veiligheid en vertrouwen nodig hebben om zich te kunnen ontplooien en ontwikkelen, waarbij alle zintuigen zoveel mogelijk worden aangesproken om het leren te bevorderen. Men stelt dat kinderen alleen vanuit een veilige en vertrouwde omgeving op onderzoek uit kunnen gaan en de wereld kunnen ontdekken. Zelfstandigheid, individualiteit en opkomen voor jezelf worden daarbij aangemoedigd. Het streven van de huidige westerse maatschappij is dat kinderen zich ontwikkelen tot intelligente, evenwichtige, assertieve volwassenen met een gezonde dosis zelfvertrouwen en respect voor anderen. Er wordt verwacht dat kinderen als volwassenen sociaalvaardig zullen zijn en een creatief denkvermogen zullen hebben. Ook staat de lichamelijke opvoeding weer hoog in het vaandel. Sommige maatschappijen en filosofen uit de oudheid (vooral de Grieken) waren daar al een voorstander van, hoewel dit in later eeuwen wat was weggeëbd. Tegenwoordig wordt sport weer als essentieel onderdeel van het opvoeden en onderwijs gezien.
Er wordt dus veel verwacht van kinderen, waardoor er een grote druk kan ontstaan of gevoeld kan worden om aan al deze verwachtingen te voldoen.

Opvoeden en onderwijs zijn dus altijd hand in hand gegaan. Opvattingen over de beste manier van opvoeden zijn veranderd in de loop der tijd. Lange tijd werd streng (en hardhandig) opgetreden tegen kinderen, maar tegenwoordig vindt men het belangrijk dat kinderen zich veilig en vertrouwd voelen om zich zo te kunnen ontwikkelen.

Hoe autisten en andere andersdenkenden in vroeger tijden hun opvoeding hebben ervaren, weten we niet. Toch kunnen we bedenken dat het een vrij duidelijke manier van opvoeden moet zijn geweest. Het was al snel duidelijk wat er van je verwacht werd en wat je taken waren. Alhoewel de andere manier van denken en het rechtvaardigheidsgevoel misschien lastig waren bij de strenge en hardhandige manier van opvoeden van een paar eeuwen geleden, waarbij waarschijnlijk niet werd uitgelegd en overlegd (zie Hoofdstuk 24 Hoogbegaafdheid). Ook zullen mensen die moeite hadden met hun motoriek in de Griekse tijd wellicht meer moeite hebben gehad, omdat er veel nadruk op lichamelijke oefening en kracht lag.
Tegenwoordig ligt er meer nadruk op zelfvertrouwen, zelfstandigheid, individualiteit, opkomen voor jezelf, respect voor anderen en sociale vaardigheden. Er wordt gesteld dat men dit op kan bouwen door veiligheid en vertrouwen en dat er beter geleerd wordt door alle zintuigen aan te spreken. Mensen die anders denken voelen zich echter niet altijd veilig en vertrouwd in een overwegend neuro-typische omgeving doordat ze de wereld op een andere manier beleven. Ook wordt het gebruik van alle zintuigen bij het leren nog niet op een structurele, geordende manier aangeboden. Er is tegenwoordig vaak eerder sprake van een overvloed aan prikkels. De verwachtingen die gesteld worden en op veel mensen een druk leggen, passen ook niet altijd bij de ontwikkeling van andersdenkende mensen waardoor er veel spanning kan ontstaan.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende