Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, werden kinderen vooral thuis onderwezen, maar er zijn ook altijd leraren en leerlingen geweest die elkaar op andere plekken ontmoetten. In de oudheid kwamen leraren en leerlingen vooral op openbare plekken bijeen en werd kennisoverdracht voornamelijk mondeling gedaan. Er was meestal geen school zoals we die nu kennen, waarbij men samenkomt in een speciaal schoolgebouw waar gestructureerde lessen worden gegeven en leerlingen worden geacht huiswerk te maken.

In Griekenland en bij de Romeinen waren er wel scholen in aparte gebouwen, maar de manier van lesgeven was nog niet opgezet zoals we dat nu kennen. Vooral in Griekenland, maar ook wel in het Romeinse rijk, was het belangrijk dat de leerlingen (jongens) veel fysieke training kregen om goede strijders te worden. Men kreeg wel les in lezen, schrijven en rekenen, maar dat was minder belangrijk en het meeste moest uit het hoofd. Pas wanneer ze bewezen hadden goed te zijn in lezen, schrijven en rekenen, mochten ze een wastablet gaan gebruiken. Muziekonderwijs werd ook zeer belangrijk geacht en mocht niet ontbreken in het curriculum.
In de Romeinse tijd mochten ook de meisjes naar school, maar korter dan de jongens. Slaven mochten uiteraard niet naar school. Er werd met harde hand gestraft, soms met de zweep.
In de rest van Europa leefden in die tijd nog vooral ‘barbaren’. Zij hadden geen scholen en de kinderen werden thuis onderwezen in taken die zij later zouden moeten uitvoeren (meestal werk op de boerderij).

In de middeleeuwen begonnen monniken de kinderen van notabelen les te geven. Het doel hierbij was vooral dat op deze manier het christelijke geloof makkelijker verspreid zou kunnen worden. Wel was het voornamelijk nog individueel onderwijs. Later werd er in de kloosters ook een professionele clerus (meester) aangesteld die de kinderen van de (meestal welgestelden) in groepjes les kon geven.

Doordat er langzaamaan steeds meer handel gedreven werd, kwam er ook meer behoefte aan mensen die konden lezen, schrijven en rekenen. Aan het eind van en kort na de middeleeuwen kwamen er daardoor schooltjes waar kinderen naartoe konden.
Er waren bewaarschooltjes of matressenschooltjes waar oude vrouwen kleine kinderen opvang boden wanneer de ouders allebei uit werken moesten. De bedoeling was dat deze vrouwen de kinderen de beginselen van het lezen en schrijven zouden bijbrengen, hoewel zij dat vaak zelf ook niet machtig waren. De bewaarscholen of matressenscholen waren de voorloper van de kleuterscholen.
Daarnaast waren er schooltjes bij een leerkracht aan huis. Hoewel kinderen hier overdag (en ‘s avonds na het werken) naar toe konden gaan, gingen nog lang niet alle kinderen naar zo’n school toe of konden de school betalen. De ruimte bij de meester aan huis was over het algemeen klein en donker. De stoel en tafel van de leerkracht namen een centrale plek in, maar er werd geen klassikale instructie gegeven, er was geen orde of methode in het aanbod van de te leren stof en de kinderen kregen nauwelijks feedback op wat ze deden. Er werd vaak hardhandig gestraft. De nadruk lag op vakken als boekhouden, briefschrijven, moedertaal en dergelijke.
Verder waren er nog stadsscholen waar het bestuur van de stad over heerste. Deze waren een voortzetting van de kloosterscholen en gaven vooral les in geloofsbetuiging, zang, lezen, rekenen, schrijven en latijn. De meeste mensen stuurden hun kinderen toch liever naar de scholen bij leerkrachten thuis, omdat ze vonden dat ze er meer praktische zaken leerden. De stadsschool (voormalige kloosterschool) is echter de voorloper van de huidige basisschool. De stadsschool was niet veel anders ingericht dan de school bij de leerkracht aan huis.
Alleen de kinderen uit de rijke en intellectuele gezinnen kregen over het algemeen goed onderwijs. Zij gingen later ook meestal door naar de Latijnse school (middelbare school) die onder kerkelijk bewind viel, waar ze werden opgeleid voor de universiteit. De kerk had dus nog steeds een grote invloed op het onderwijs.

Pas zo’n 200 jaar geleden werd het onderwijsstelsel zoals we het nu kennen bedacht. Men dacht dat kinderen zich door goed onderwijs zouden ontwikkelen tot brave en christelijke burgers. Wel kwam er officieel een scheiding tussen kerk en onderwijs. Het onderwijs werd voor het eerst vastgelegd in wetten. Die wetten waren hevig beïnvloed door de visie op opvoeding van die tijd. Zoals in het vorige hoofdstuk aan de orde kwam, heerste de visie dat er streng opgetreden moest worden bij het opvoeden van kinderen en dat ze zich net zo moesten gedragen als volwassenen. Dit betekende dat men vond dat er rust, stilte, orde en netheid moesten heersen in de school, maar aan de andere kant ook dat er ruimte moest zijn en frisse lucht voor de gezondheid.
In de wetten werd zelfs voorgeschreven hoe de ruimtes eruit moesten zien. Alle kinderen moesten een lessenaar en bank hebben, gericht naar de leerkracht die aan een verhoogde tafel zat. Achter de leerkracht was een blinde muur (dus zonder ramen) waar de borden waren opgehangen. Er moest voldoende licht zijn in het lokaal, maar de ramen zaten hoog, zodat er niet naar buiten gekeken kon worden, want dat leidde teveel af. Het schoolgaan werd verdeeld in klassen (leerjaren), waarbij ieder leerjaar zijn eigen lesprogramma moest hebben. Meer dan 70 kinderen in de klas, betekende een extra leerkracht erbij. Er mocht niet meer worden gelopen tijdens de lessen en het onderwijs werd klassikaal gegeven. De zaken die geleerd moesten worden werden als aparte vakken aangeboden; rekenen, lezen, schrijven. Stapsgewijs werden de vakken aangeleerd. Het onderwijs moest systematisch worden aangeboden volgens leermethodieken die kinderen moesten leren lezen, schrijven en rekenen. De lesmethoden waren lineair opgebouwd, van makkelijk naar moeilijk. De leerkracht moest, voor het eerst, zelf geschoold zijn tot onderwijzer voor hij les mocht geven. In die tijd was het nog normaal dat er lijfelijke straffen werden gegeven en dit werd dus ook op school gedaan. En er kwamen schoolinspecteurs om te controleren of de wetten werden nageleefd.

Alhoewel de wetten dus aangaven hoe het onderwijs gegeven moest worden en hoe de lokalen eruit moesten zien, waren kinderen destijds nog niet leerplichtig. Pas zo’n honderd jaar geleden werd de leerplichtwet van kracht, waarin alle kinderen van 6 tot 12 jaar verplicht werden naar school te gaan. Tegen die tijd werden kinderen ook niet meer als kleine volwassenen gezien, alhoewel er nog steeds gestreefd werd naar orde, netheid, rust, stilte en gehoorzaamheid.

De wetten over hoe een klaslokaal eruit moest zien en de eisen die er gesteld werden aan de leerkrachten en de lesmethodes klinken nog steeds behoorlijk bekend. Natuurlijk zijn er verschillen, maar de scholen van nu zijn in principe nog steeds op deze wetten gebaseerd.
De lokalen zijn namelijk nog steeds licht met meestal een blinde muur voor het digibord. De kinderen hebben een tafel (lessenaar) en stoel. De tafel en stoel van de leerkracht nemen een centrale plek in in de ruimte, meestal in de buurt van het digibord. Het onderwijs wordt nog steeds in de meeste gevallen klassikaal gegeven, hoewel het aantal leerlingen per leerkracht is gezakt. De leerkracht volgt leermethodieken en lesprogramma’s die gericht zijn op aparte leerjaren/klassen. Nog steeds staan frisse lucht, rust, stilte, orde en netheid hoog in het vaandel.
Hoewel hier tegenwoordig wel wat luchtiger mee wordt omgegaan. Kinderen mogen meer lopen door de klas. Ook mogen kinderen op bepaalde tijden met elkaar praten over de lesstof als dat nodig is. En er mogen geen lijfelijke straffen meer gegeven worden. Af en toe probeert men meer zintuigen aan te spreken bij het leren door filmpjes te laten zien op het digibord, een uitje of door iets te maken met de kinderen.
Leerkrachten proberen het tegenwoordig gezellig te maken in de klas en de kinderen worden minder streng aangepakt dan vroeger. Ieder leerjaar heeft tegenwoordig zijn eigen klaslokaal.
Met het passend onderwijs wordt er gebruikt gemaakt van andere lesboeken waarbij de te leren stof voor dat leerjaar vaak wordt opgedeeld in drie verschillende niveaus, zodat kinderen die meer moeite hebben of die de stof makkelijk vinden, dezelfde stof als de rest van de klas kunnen volgen, maar dan op een niveau dat bij hen past. Voor leerlingen waarbij deze gang van zaken niet past, is er het speciaal (basis) onderwijs.

Over het geheel genomen is het schoolsysteem dus nog steeds gebaseerd op principes die men 200 jaar geleden belangrijk vond bij de opvoeding. Ook al zijn de opvattingen veranderd en wordt er gesteld dat kinderen een veilige en vertrouwde omgeving moeten hebben om van daaruit de wereld te kunnen ontdekken en onderzoeken. Daarnaast gaat men ervan uit dat alle zintuigen moeten worden aangesproken bij het leren, omdat dat het leren vergemakkelijkt. De huidige visie op opvoeden is dus wel veranderd ten opzichte van 200 jaar geleden (zie Hoofdstuk 28 Opvattingen over opvoeding en onderwijs toen en nu). De nieuwe opvoed-idealen worden echter nog steeds toegepast binnen een ‘oud’ systeem. Er komen dan ook steeds meer mensen die van mening zijn dat er een nieuwe manier van lesgeven moet komen, maar de manier waarop dat moet gebeuren is omstreden. De meeste mensen proberen hun vernieuwende ideeën in te passen in de bestaande manieren van lesgeven, in de bestaande leslokalen en met de bestaande methoden en middelen. Het is de vraag of het mogelijk is om de geijkte manieren los te laten die mensen al eeuwen lang hebben gebezigd. Want al eeuwenlang wordt er onderwezen door een leraar voor een groep kinderen te laten vertellen en hen vragen te stellen. Aan de andere kant zijn er ook mensen die menen dat het de beste manier is om te leren en dat er niet teveel aan moet veranderen, omdat er al eeuwenlang op deze manier les wordt gegeven en het bij de meeste kinderen goed lijkt te werken.

Wat interessant is is dat men door alle eeuwen heen het lezen (en schrijven) belangrijker vond dan het rekenen. Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, zijn er veel filosofen geweest die taal erg belangrijk vonden, zoals bijvoorbeeld Erasmus die vond dat een mens zich van dieren onderscheidt door de verheven manier van taalgebruik. En zoals in Hoofdstuk 19 Communicatie en sociale interactie en Hoofdstuk 20 (Sociale) Contacten naar voren komt, is taal essentieel voor het leggen en onderhouden van sociale contacten wat weer essentieel is voor het zelfbeeld en het ontwikkelen van de eigen identiteit.
Rekenen werd altijd minder belangrijk geacht, behalve bij de meer welgestelden. Rekenen is ook niet per se noodzakelijk om sociale contacten te onderhouden, hoewel het tegenwoordig wel belangrijk is om in de maatschappij te kunnen leven, aangezien er overal om ons heen getallen worden gebruikt (tijden, prijzen enz.).
Het verschil tussen taal en rekenen is nog steeds te zien in het huidige onderwijs. Taal is opgedeeld in technisch lezen, begrijpend lezen, spelling enzovoort. Het schrijven is daaraan gerelateerd met dictee, ontleden en dergelijke. Rekenen heeft geen verdeling. Pas op de middelbare school wordt wiskunde gegeven. Wellicht dat er door het verschil in waarde (taal is belangrijker dan rekenen) ook zoveel aandacht is voor kinderen met leesproblemen en dyslexie en minder voor kinderen met rekenproblemen en dyscalculie.

Alhoewel scholing en onderwijs altijd al bestaan lijken te hebben, is de kinderopvang nog relatief nieuw. Pas vanaf het moment dat beide ouders uit werken moesten gaan, werd opvang noodzakelijk. De uitbesteding van opvoeding heeft men altijd proberen te combineren met onderwijs/scholing. Er waren matressenschooltjes en bewaarschooltjes waar kinderen werden opgevangen vanaf 3 tot 6 jaar oud. Deze scholen waren de voorlopers van de kleuterschool. Na deze school, gingen de kinderen waarvan beide ouders werkten, zelf vaak ook al werken (soms dus al vanaf 5 of 6 jaar). De omstandigheden in deze schooltjes waren zo slecht dat men aangaf dat het ‘mensverdierlijking’ was.
Door de slechte omstandigheden te willen verbeteren ontstonden er rond 1850 ‘kinderbewaarplaatsen’ waar men de kinderen naartoe kon brengen. Deze voldeden meer aan de hygiëne., ruimte en licht zoals we die nu kennen in de opvang. Wel waren het vaak onbetaalde stagiaires van de huishoudschool die er werkten. Later werd er ook een badzuster aangesteld die de kinderen bij binnenkomst in bad deed in verband met de hygiëne. Het was nog steeds echter een vorm van armoedezorg wanneer beide ouders uit werken moesten.
Pas na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de opvang zich, in de meeste westerse landen, snel. Het was niet meer een vorm van armoedezorg, maar stelde moeders in staat ook uit werken te gaan. De vraag naar opvang en de professionalisering van de opvang steeg daardoor ook, hoewel Nederland hierin wat achterbleef. In Nederland is er pas in de laatste decennia een grotere vraag naar opvang ontstaan. In Nederland waren de peuterspeelzalen belangrijker waar kinderen leeftijdsgenootjes konden ontmoeten, omdat zij dat thuis niet meer vanzelfsprekend hadden door de kleinere gezinssamenstellingen.

Ook al weten we weinig van autistische kinderen in vroeger tijden tot de laatste decennia, toch hebben we een idee hoe opvang en school voor autistische kinderen geweest zou kunnen zijn. Voor andersdenkende kinderen zal opvang en school over het algemeen niet altijd even fijn zijn (geweest). Vroeger waren de opvang en school chaotisch en druk. Veel kinderen, kleine donkere ruimtes, geen gestructureerde lessen en ga zo maar door. Dit was natuurlijk niet bevorderlijk voor het leren en voor de kinderen in het algemeen, laat staan voor kinderen die moeite hebben met prikkelverwerking en het ordenen van informatie.
Met de schoolwetten kwam er meer rust, ruimte en structuur en werd het dus voor deze leerlingen beter. Dan nog zal het niet voor iedereen even makkelijk zijn geweest, maar waarschijnlijk was het voor een aantal kinderen wel beter te verdragen. Met het loslaten van de strakke regels en de duidelijke structuur, wordt het voor velen echter weer moeilijker om mee te blijven doen. Er wordt meer gepraat, meer rondgelopen en het rooster wordt regelmatig opgeleukt met activiteiten die niet verwacht waren. Het hangt vaak van de leerkracht af of kinderen die anders denken dan de meesten de dag nog kunnen overzien en aankunnen.
Vooral voor dyslectische kinderen en kinderen met dyscalculie is het onderwijs erg frustrerend. De schoolwet waarbij kinderen naar school toe moesten gaan en moesten leren lezen, schrijven en rekenen zal voor deze kinderen enorm zwaar zijn geweest, vooral omdat men niet bekend was met dyslexie en dyscalculie, maar men de kinderen verweet lui, dom of stom te zijn. Helaas ervaren sommige kinderen met dyslexie of dyscalculie school nog steeds als enorm zwaar.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende