Het werken is in de loop der tijd sterk veranderd. Van kinderen werd er verwacht dat ze hun ouders steeds meer meehielpen naarmate ze ouder werden. Vaak werd van de oudste jongen verwacht dat hij de vader op zou volgen. De andere zoons gingen dan in de leer bij een ambachtsman of werden knecht. Meisjes hielpen de moeder al vroeg mee en gingen, wanneer ze oud genoeg waren, werken als dienstmeid tot ze trouwden en een eigen huishouden te bestieren kregen.

Op een gegeven moment begon deze gang van zaken echter te veranderen. Er werden meer producten gemaakt door het werk anders in te delen. Er waren mensen die thuis producten fabriceerden (huisnijverheid) voor bijvoorbeeld de textielindustrie. Dit was het begin van een grote verandering. Want alhoewel er door de eeuwen heen in China, Rome en het Midden-Oosten af en toe grote productiewerkplaatsen waren opgezet en de ambachtelijke werkplaatsen (smederij, bakkerij enz.) ook al lang bestonden, kwam het keerpunt voor veel mensen pas met de industriële revolutie. Er werden op grote schaal fabrieken opgezet waar vele werkers geconcentreerd waren onder één dak. Er werden uitvindingen gedaan die ervoor zorgden dat het productieproces versneld werd. Machines deden het werk van mensen. Daarnaast waren er arbeidskrachten in overvloed, dus de lonen waren laag. Mannen, vrouwen en kinderen werkten allemaal in de fabrieken. De arbeidsomstandigheden waren slecht. Het was er vervuild, je moest lange dagen maken, het werk was eentonig en meestal gevaarlijk.

Met de komst van de sociale wetten werd het iets beter. Kinderen moesten naar school en hoefden daardoor niet meer uit werken te gaan. Mannen verdienden sowieso meer dan vrouwen en waren daarom meestal hoofdkostwinnaar. Vrouwen werkten alleen in de fabrieken indien noodzakelijk en verder zorgden ze voornamelijk voor de kinderen en het huishouden. De werkers moesten ontzettend lange dagen maken om hun gezin te kunnen onderhouden. Doordat arbeiders zich gingen groeperen en er vakbonden werden opgesteld die voor hun belangen opkwamen, werden de omstandigheden iets beter. De werkdagen werden minder lang en ze kregen betere lonen. Ook kwamen er steeds meer voorschriften waar de werkruimtes aan moesten voldoen.

Tegenwoordig is er door digitalisering en door nieuwe communicatievormen weer een kentering gekomen in hoe er in de westerse wereld gewerkt wordt. Digitalisering stelt bedrijven in staat om te globaliseren. Globaliseren betekent het spreiden en coördineren van het werk over de hele wereld.
Het werk dat mensen doen in de westerse wereld houdt meestal niet meer in dat er producten worden geproduceerd, maar dat er diensten worden verleend of informatie wordt bewerkt of verwerkt. Er bestaan nog steeds wel fabrieken, maar gelukkig zijn de arbeidsomstandigheden er verbeterd. Er werken minder mensen, alhoewel het er nog steeds erg lawaaiig kan zijn door de vele machines en het werk kan nog steeds eentonig zijn.
De fabrieken zijn tegenwoordig echter niet meer DE grote werkplaatsen waar vele werkers geconcentreerd zijn onder één dak. De grote werkplaatsen zijn de kantoren geworden. In kantoren komen mensen samen om, meestal achter de computer, informatie te verwerken of bewerken of om diensten te verlenen. Dit alles betekent veel communicatie, waardoor het belangrijk is dat je goed communicatief onderlegd bent.
Maar in sommige opzichten lijken de kantoren wel wat op de fabrieken van vroeger. Net als in de fabrieken komen er namelijk veel prikkels op de werkers af. De constante stroom aan informatie door middel van gesprekken en overleg met collega’s, e-mail, telefoon, social media en dergelijke kan ook zeer vermoeiend zijn, vooral omdat je je gedachten er goed bij moet houden. Ook de ruimtes zijn niet altijd even goed voor de werkers. Er wordt namelijk vaak met veel mensen in open ruimtes gewerkt waar weinig natuurlijk licht komt en de lucht en warmte door (centrale) air conditioners geregeld worden. Plekken om tot rust te komen zijn er nauwelijks. Kantines zijn namelijk ook vaak rumoerig en oncomfortabel. Andere rustplekken zijn er meestal niet of als ze er wel zijn worden ze over het algemeen ingericht om de werker te prikkelen in plaats van tot rust te laten komen.
Men vindt dat je werk moet doen waar je goed in bent en wat je fijn vindt om te doen. Wat daarnaast heel belangrijk is, is het hebben van de juiste kwalificaties om een goede baan te krijgen. Ook wordt verwacht dat de werkers zich op de hoogte houden van de nieuwste informatie en dat ze zich ontwikkelen en ontplooien, zodat ze dit kunnen gebruiken voor het werk. Vaak worden er cursussen gedaan en bijscholing gevolgd. Dit gebeurt regelmatig naast het werk. Dit alles kan een druk leggen op de werker.
Wel zijn de werktijden nog meer verminderd, waardoor er ruimte is om vrijetijdsbestedingen te hebben.

Vroeger bleven mensen dus vaak wonen en werken binnen de eigen stad of het eigen dorp. Je deed meestal werk dat je ouders ook deden, vanaf een leeftijd waarop je geacht werd dit te kunnen. Door de industriële revolutie veranderde dat. De steden groeiden sterk en de arbeiders werkten onder slechte omstandigheden, voor lage lonen en deden meestal gevaarlijk werk. Dat gold voor zowel de mannen, vrouwen als kinderen. Later veranderde dat door de sociale wetten en vakbonden. Tegenwoordig heeft de digitalisering het werken veranderd, van fysieke arbeid, naar informatie ver- en bewerking met ruimte voor en verwachting van zelfontplooiing.

Voor normaal tot hoogbegaafde autisten (en andere andersdenkenden) was het vroeger meestal wel duidelijk wat je taken waren en wat er van je verwacht werd. Dat kan aan de ene kant veel rust hebben gegeven, hoewel aan de andere kant sommigen van hen wellicht onder hun kunnen zullen hebben gepresteerd, omdat er in die tijd niet van je verwacht werd dat je je verder ontplooide.
Hoewel de industrialisatie voor veel mensen een ware hel zal zijn geweest door de slechte arbeidsomstandigheden, zullen er ook andersdenkenden zijn geweest die ruimte kregen voor hun ideeën en uitvindingen (maar dan vooral onder de rijke mensen).
Tegenwoordig is er meer ruimte om werk te kiezen dat bij je past, maar zullen velen juist de werkdruk, de vele prikkels, de werkruimtes en de verwachte zelfontplooiing als onprettig ervaren. Vooral omdat er veel nadruk ligt op het behalen van kwalificaties middels opleidingen en cursussen die wellicht niet afgestemd zijn op andersdenkenden. Daarnaast is het werk van tegenwoordig vooral gericht op het verlenen van diensten en het verwerken en bewerken van informatie. Het werk van nu is daardoor doordrenkt van communicatie voor, over en met anderen, waarbij veel samengewerkt moet worden met andere partijen, zoals collega’s, afdelingen, bedrijven enz. Door de vele prikkels die daardoor op een persoon afkomen en de andere manier van denken kan dit veel spanning veroorzaken.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende