Al van oudsher bestaan er mensen die anders zijn. De meesten van hen leefden gewoon in de maatschappij. Zolang je productief was, kon je meedoen. Maar wanneer je keer op keer uitzonderlijk gedrag liet zien, dan was de kans groot dat men dacht dat je bezeten was door geesten, slechte goden of duivels. In de meeste tijden en culturen werd er op verschillende manieren geprobeerd de geest uit het lichaam te laten. De meeste manieren waren zeer pijnlijk en ware martelingen, zoals schedelboringen. Vaak werden deze gestoorden verbannen. Heel soms werden ze juist met ontzag behandeld, omdat ze contact zouden hebben met de goden.

In het oude Griekenland wilde men sterke mensen om als soldaat te kunnen vechten. Gehandicapte kinderen werden daarom bij de geboorte gedood. Maar mensen met epilepsie werden heilig gevonden en leefden vaak in tempels, omdat de epileptische aanval gezien werd als een bezoeking van de goden.
Hippocrates vond dat geestesziekten veroorzaakt werden door een onjuiste verhouding van de lichaamssappen, waardoor er een aantal temperamenten ontstonden die leidden tot verscheidene geestesziekten. Deze geestesziekten werden, bij de rijken, bestreden door middel van therapieën (bijvoorbeeld braken en aderlaten) en rust, dieet, muziek en warme en koude baden.
Rond 800 voor Christus was er een Griek (Asclepiades van Bithynië) die sommige geestesstoornissen heeft beschreven, waaronder ook waandenkbeelden en hallucinaties. Hij ging ervan uit dat de oorzaak lichamelijk, maar ook geestelijk kon zijn (en dus niets te maken had met goden). Dit was erg vooruitstrevend voor die tijd.

In de Romeinse tijd werden geestesziekten gezien als: 1. een manier om onder maatschappelijke verplichtingen uit te komen of 2. een stressreactie op de omgeving. Wanneer men uitging van het eerste, dan werd de persoon in kwestie gemarteld of opgesloten. Ging men uit van het tweede, dan werd rust, regelmaat, muziek en aangenaam gezelschap voorgeschreven. Of men uitging van het eerste of tweede werd mede bepaald door de sociale status die iemand had.
Zowel bij de Grieken als bij de Romeinen werden geesteszieken over het algemeen gezien als wilsonbekwaam en deze mensen hadden dan ook geen rechten.

In de late Middeleeuwen (vanaf 1100) ontstond het idee dat alle geesteszieken recht op leven hadden en daardoor patiënten. waren die verzorging nodig hadden. Er ontstonden huizen voor ‘dollen en dwazen’. De geneeskunst in de middeleeuwen was gericht op de theorieën van Hippocrates (lichaamssappen en temperamenten, zie boven) en de volksgeneeskunde. Dat laatste bestond vooral uit het aan het ‘schrikken maken’ van de patiënt, zodat de ziekte zou verdwijnen. Het ‘schrikken’ bestond vooral uit martelingen, zoals geselen of schedelboren, maar men bezigde ook wel het ‘smoren der dollen’. Dit kwam neer op het laten stikken van de geesteszieke, zodat de ziekte zou verdwijnen, maar wat natuurlijk altijd tot resultaat had dat de dolle in kwestie overleed.
De algemene opvatting was dat geesteszieken nutteloze mensen waren. Sommigen pleitten daarom voor het doden van gehandicapte pasgeborenen. Anderen zagen het als hekserij waardoor er toch ook menig geesteszieke op de brandstapel terecht is gekomen.

In de 16e eeuw was er een man, genaamd Johannes Wier (1515-1588) die beweerde dat geestesziekten voortkwamen uit lichamelijke zwakte of uit ziekten als melancholie en daarom behandeld dienden te worden. Door deze uitspraak wordt hij door sommigen beschouwd als de eerste psychiater.
Felix Plater (1536-1614) vond ook dat geesteszieken behandeld dienden te worden. Hij beschreef een aantal ziektebeelden en symptomen naar aanleiding van observaties die hij deed. Zo werden de eerste classificaties geboren.
Alhoewel men Johannes Wier en Felix Plater vaak noemt als zijnde de eerste psychiater en de eerste die classificaties aanbracht, was de Griek Asclepiades van Bithynië (zie boven) hen al zo’n 2400 jaar voor.

Men dacht rond 1600 dus dat geesteszieken lichamelijk ziek waren en daardoor medische behandeling nodig hadden. Dat er geesten of duivels bezit van een persoon hadden genomen geloofde men niet meer. De therapieën werden echter nog steeds gedaan in de vorm van martelingen om de patiënt te laten schrikken om zo het teveel aan bloed uit het hoofd te laten weggaan. Maar geesteszieken werden niet meer vermoord door hen te smoren.

Doordat er meer gehandeld werd met andere landen en doordat de steden groeiden, werden de omgangsvormen steeds belangrijker. Niet iedereen in de stad kende elkaar meer en het was belangrijk te weten tot welke stand je behoorde en hoe je een ander diende te benaderen. Hierdoor vielen mensen die zich anders gedroegen ook steeds meer op. Er kwamen daardoor meer mensen in de dolhuizen terecht, die dan ook wel gasthuizen werden genoemd. De meeste van deze huizen werden omgevormd tot tuchthuizen of gestichten waar de nutteloze geesteszieken middels dwangarbeid aan het werk gezet werden. Er werd een strikt regime en levensritme gehanteerd.

Rond 1800 vond er een omkering plaats. Geesteszieken werden (letterlijk) uit hun ketenen bevrijd door dokter Philippe Pinel. Er vond minder dwang en geweld plaats en men was van mening dat geesteszieken rust, reinheid, regelmaat en goed voedsel nodig hadden.
In 1810 bedacht dokter Johan Christian Reil de term psychiatrie. Degenen die de geesteszieken onderzochten werden echter nog geen psychiater genoemd, maar alienist of gestichtsarts.
De arts Schroeder van der Kolk pleitte er in1840 voor om de krankzinnigengestichten op afgelegen plekken ver buiten de stad te plaatsen, zodat de krankzinnigen daar tot rust konden komen en niets met de harde maatschappij te maken hoefden te hebben. Ook zorgde hij ervoor dat de krankzinnigenwet in werking trad. Deze wet had betrekking op het opnemen en ontslaan van patiënten. en op het toezicht in de zorg.
Omstreeks 1850 begint zich de psychiatrie als aparte wetenschap te manifesteren. In deze tijd raken de gestichten overvol met alcoholisten, dementerende bejaarden, zwakzinnigen en krankzinnigen. Er wordt in die tijd veel onderzoek gedaan naar ‘stoornissen in het denken’. Vanaf 1850 groeien het aantal stoornissen enorm. Er worden steeds nieuwe geestesziekten ontdekt en therapieën bedacht. De psychiater Emil Kraepelin schrijft ze allemaal op in een boek (‘Lehrbuch’) wat dus eigenlijk de basis is van de huidige DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, zie Hoofdstuk 2 Autismespectrumstoornissen volgens de DSM) die psychiaters tegenwoordig gebruiken. De theorieën en behandelingen van Freud (rond 1880), Jung (rond 1900) en andere psychiaters uit die tijd worden ook nu nog vaak toegepast.

Al vroeg (vanaf 1870 ongeveer) werd er geëxperimenteerd met medicatie voor psychiatrische patiënten. Eerst was dit vooral met morphine, opium, canabis, belladonna, strychnine, chloroform en meer van dat soort middelen. Ook dwangbuizen werden gebruikt om patiënten rustig te krijgen.
Rond 1900 dacht men dat bedtherapie en hydrotherapie (warm water baden) ook zouden kunnen helpen bij psychiatrische aandoeningen.
En vanaf de dertiger jaren (ong. 1932) kwamen daar de elektroshockkuur bij die psychiatrische patiënten moest helpen weer aanspreekbaar te worden. De insulineshockkuur werd in die tijd ook vaak toegepast, waarbij de patiënt door insuline in een soort coma werd gebracht voor een uur, waarna ze door toedienen van suiker er weer uit werden gehaald. Slaaptherapie, waarbij de patiënt kunstmatig in slaap gehouden werd door medicatie en op een temperatuur van 33-35 graden Celsius werd gehouden voor een aantal dagen (een soort winterslaap dus), werd ook regelmatig ingezet.
Rond de jaren ‘50 kwamen de eerste anti-psychotica en anti-depressiva op de markt. Deze medicatie was er specifiek op gericht om de psychische staat van de patiënt te verbeteren. Dit veranderde de behandeling van psychiatrische patiënten drastisch. Patiënten die ervoor onrustig en agressief waren, veranderden in rustige mensen. Ongeveer een jaar later waren er dan ook meer dan honderd verschillende middelen van op de markt.
Tegenwoordig is medicatie niet meer weg te denken uit de psychiatrie. Veel van de behandelingen (middelen en maatregelen) die in de loop der tijd uitgeprobeerd zijn, worden nog steeds gebruikt. Andere behandelingen worden nu echter gezien als onmenselijk en worden dus niet meer gebruikt.

Tot aan de jaren vijftig werd de oorzaak van de stoornis gezocht in de patiënt zelf en minder in de omgevingsfactoren.
Maar in de jaren ’60 ontstond als reactie hierop een tegenbeweging. Er werd gepleit voor het kijken naar de omgevingsfactoren. In deze tijd ontstonden ook de systeemtherapie en de gezins-/relatietherapie (zie Hoofdstuk 6 Behandeling van Autisme Spectrum Stoornissen). Toch werd medicatie nog steeds veel voorgeschreven. Mensen die medicatie ontvingen werden vaak uit de instellingen ontslagen, omdat de medicatie hun in staat zou stellen terug te keren in de maatschappij. De meesten redden het echter niet lang in de maatschappij zonder hulp en kwamen daardoor later weer in een instelling terecht.
In de ’70-er jaren werd er gepleit voor praten, huilen en knuffelen, zodat de patiënt zou genezen. In de tussentijd kwamen er in de jaren ’60 en ’70 alleen maar meer mensen in instellingen terecht. Deze raakten overvol en het kostte de samenleving veel geld. In sommige landen werden er daardoor instellingen gesloten en kwamen de patiënten. op straat te staan.
In de jaren ’80 kwam het idee naar voren dat grote instellingen buiten de stad niet meer het ideaal moesten zijn, maar dat psychiatrische patiënten. terug moesten naar de maatschappij. De problemen moesten in de wijk opgelost worden met sociaalpsychiatrische wijkteams, huisartsen, familieleden en andere betrokkenen. Het werd tijd voor de psychiatrische patiënt om te integreren in de maatschappij.

Dit ideaal heerst nog steeds. De meeste grote instellingen buiten de stad zijn opgeheven. Er zijn beschermd wonen projecten gekomen, waarbij de psychiatrische patiënt dichter bij de maatschappij staat. Het is moeilijker geworden om in een psychiatrische instelling te worden opgenomen. Er zijn echter ook meer daklozen gekomen met psychische problemen. De integratie verloopt moeizaam. De andere mensen in de samenleving zitten namelijk meestal niet te wachten op psychiatrische patiënten. als buren.

In 2016 heeft Nederland het VN-verdrag met betrekking tot een inclusieve samenleving getekend. Dat betekent dat er nu ook geen discriminatie meer plaats mag vinden op grond van een beperking, wat een belangrijke stap is voor veel mensen met een beperking. Men hoopt dat het ook een grote stap is naar een inclusieve samenleving.

De laatste paar decennia is het steeds normaler geworden om een psychische stoornis of psychische problemen te hebben. Denk daarbij maar aan ADHD, leerstoornissen of burn-out. Mensen kijken er niet meer van op en omdat er zoveel informatie beschikbaar is, weten mensen veel meer over de verschillende stoornissen en problemen dan daarvoor.
Ondertussen wordt er nog steeds onderzoek gedaan naar psychische stoornissen. Er is een wet gekomen waarin is vastgelegd wie bevoegd is om diagnoses te stellen om tegen te gaan dat onbevoegden verklaringen en diagnoses afgeven zonder gedegen onderzoek. De DSM IV is vervangen door de DSM 5. In de moleculaire genetica wordt onderzocht of de oorzaak van stoornissen genetisch bepaald is en of er (andere) biologische oorzaken zijn. Ook wordt er veel onderzoek gedaan naar de hersenen. Verwacht wordt dat uit al deze onderzoeken mettertijd nieuwe classificaties van psychiatrische stoornissen voort zullen komen.

Alhoewel geesteszieken dus altijd al bestaan hebben, vielen vroeger vooral de uitzonderlijke gevallen op en degenen met een lichamelijke beperking. Deze mensen werden over het algemeen niet als volwaardig beschouwd. De meeste andersdenkenden zullen meestal niet zo erg uit de toon zijn gevallen dat zij als geesteszieke bestempeld zouden worden.
Pas toen men gericht ging kijken en zoeken naar mensen met ‘stoornissen in het denken’ ontstonden er steeds meer psychiatrische classificaties.
Men heeft altijd geprobeerd de psychiatrische aandoeningen te behandelen. Vanaf de jaren ‘50 kwamen er veel middelen op de markt die psychiatrische patiënten rustig konden maken.
Tegenwoordig zijn veel mensen bekend met het bestaan van psychiatrische stoornissen en wordt er naar een inclusieve samenleving gestreefd.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende