Omdat mensen zich vaak afvragen hoe het komt dat er tegenwoordig zoveel meer diagnoses worden gesteld dan vroeger, is gekeken naar het verloop van bepaalde maatschappelijke zaken, want deze beïnvloeden de beleving van mensen. Hierbij is gekeken naar het huiselijk leven, opvoeding en onderwijs, opvang en school, werk en de psychiatrie.
Wat hierbij vooral opvalt, is hoe sterk de maatschappij is veranderd sinds het begin van de industrialisatie. Daarvoor zijn er natuurlijk ook veranderingen geweest, maar na het starten van de industrialisatie zijn de veranderingen elkaar steeds sneller opgevolgd.

Het huiselijk leven is veranderd doordat veel mensen verder weg zijn gaan wonen van familie, vrienden, werk en recreatie. Het sociale netwerk is veranderd, waarbij sociale regels minder duidelijk zijn geworden en flexibeler moeten worden ingezet door de culturele verschillen binnen de eigen omgeving. Ook ligt er minder nadruk op een gemeenschappelijke identiteit binnen de eigen omgeving en meer op individualiteit.
Vanaf het moment dat er meer informatie beschikbaar is gekomen in de gewone huishoudens, zien we dat ideeën over opvoeding en school, die soms al veel eerder ontstaan waren, tot leven komen. De gezinnen zijn anders geworden van samenstelling met minder kinderen en veel aandacht voor de algehele ontwikkeling van het individuele kind. Er worden daardoor ook veel verwachtingen gesteld aan kinderen. Kinderen moeten uitgroeien tot intelligente, assertieve, zelfstandige volwassenen met een grote dosis zelfvertrouwen en goede sociale vaardigheden.

Door maatschappelijke veranderingen ontstond er een vraag naar burgers die konden lezen, schrijven en rekenen. Om ervoor te zorgen dat er genoeg burgers waren die in de groeiende handel konden werken door het bijhouden van de boeken, hebben stadsbesturen scholen in het leven geroepen, waardoor ieder kind in principe de mogelijkheid heeft gekregen om te leren lezen, schrijven en rekenen.
Tegenwoordig is het belangrijk dat een kind meer leert dan dat. Er zijn steeds meer vakken en doelen bijgekomen op school die leerlingen zouden moeten beheersen bij het voltooien van de schooltijd wat een druk legt op zowel de leerling als de leerkracht.
Daarnaast is de opvang sinds de industrialisatie sterk gegroeid doordat vrouwen eerst moesten en later wilden werken. De opvang is van armoedezorg overgegaan in opvang zoals we die tegenwoordig kennen, waarbij die moet voldoen aan bepaalde regels.
Er is tegenwoordig voor zowel kinderen als volwassenen meer vrije tijd gekomen. Veel kinderen zitten na schooltijd op clubjes, veel volwassenen hebben hobby’s, doen vrijwilligerswerk of een cursus. Ook is het nodig om genoeg tijd te hebben om je sociale contacten te onderhouden. Het is belangrijk voor het vormen van de eigen identiteit om aangesloten te zijn bij een groep die dezelfde interesses heeft als jijzelf.

De werkplek heeft ook een grote verandering ondergaan en is veel grootschaliger en massaler geworden in de laatste paar eeuwen. De fabrieken van eerst, zijn de kantoren van nu, waar mensen massaal aan het werk zijn met informatie be- en verwerken. Dit vergt veel samenwerking, communicatie en contact met anderen. In de loop der tijd is er ook steeds meer nadruk komen liggen op zelfontplooiing. Het wordt belangrijk geacht dat je jezelf ontwikkelt. Het werk moet aansluiten bij wat je goed kan en wat je fijn vindt om te doen.

Door al deze veranderingen in de maatschappij, is men ook anders tegen psychiatrische stoornissen aan gaan kijken. De maatschappij heeft langzaamaan een steeds duidelijker beeld gekregen over hoe dingen horen te zijn en horen te verlopen, door verfijning van de omgangsvormen en de anonimiteit van de stad. Wat eerst nog acceptabel was en door het sociale netwerk werd ondersteund, past niet meer in het beeld van hoe het hoort te zijn. Hierdoor is men mensen met uitzonderlijk gedrag gaan bestuderen om erachter te komen waardoor zij anders lijken te denken en te doen. Dit heeft geresulteerd in een handboek voor psychiaters waarin mensen die anders zijn worden beschreven en gecategoriseerd. Het heeft geleid tot het afgeven van diagnoses, waarbij de laatste jaren de wet is verscherpt over wie onderzoek mag doen en diagnoses mag stellen, omdat onbevoegden te snel zouden oordeelden dat er sprake is van een stoornis, oftewel van een afwijking van de norm.

Wanneer we naar de autist kijken in de maatschappij, zien we dat het vroeger anders moet zijn geweest om autistisch te zijn dan nu. Vroeger werd een normaal- tot hoogbegaafde autist, zonder comorbiditeit met een andere stoornis, waarschijnlijk veelal geaccepteerd, omdat hij productief was en mee kon doen met de maatschappij. Hij had een sociaal netwerk van familie en dorpsgenoten in een veilige en vertrouwde omgeving. Er waren duidelijke verwachtingen gesteld aan de autist en hij wist welke taken hij had. Aan de andere kant kan het voor sommigen ook benauwend zijn geweest, omdat anders denken en dingen op een andere manier benaderen niet gewaardeerd werden in de strikte maatschappij.
Tegenwoordig worden er ook eisen gesteld aan hoe je je behoort te gedragen in de maatschappij, maar zijn de sociale regels minder duidelijk geworden en is alles sneller, grootschaliger en tegelijkertijd individueler geworden. Aan de ene kant is er dus meer ruimte voor mensen om zichzelf te zijn, maar aan de andere kant ligt er meer nadruk op communicatie en zijn de prikkels sterk toegenomen. Mensen die daar moeite mee hebben worden er al snel uitgelicht, onderzocht en gecategoriseerd.
Het lijkt een paradox: tegenwoordig is alles vrijer en wordt er gezegd dat je mag zijn wie je wilt zijn (de eigen identiteit staat voorop), maar tegelijkertijd worden mensen die anders denken er eerder uitgelicht en gecategoriseerd.

Het doel van dit deel van het boek was om de vraag: “Waarom worden er tegenwoordig meer diagnoses gesteld dan vroeger?” te beantwoorden. Het is inderdaad mogelijk om die vraag nu toe te lichten, doordat er een beeld is gevormd over het veranderen van opvattingen door het veranderen van de maatschappij.
Toch moet de vraag eerst nog worden toegelicht, omdat allereerst duidelijk moet worden vastgesteld wat men in de vraag bedoelt met ‘vroeger’. Omdat ‘vroeger’ een vaag begrip is en we niet willen vergelijken met bijvoorbeeld de oudheid of de middeleeuwen, omdat er toen nog niets bekend was over de verschillende diagnoses, zullen we ‘vroeger’ nader moeten bepalen. Uit het laatste hoofdstuk blijkt dat er pas sinds relatief korte tijd diagnoses gesteld worden, aangezien de psychiatrie pas ongeveer 150 jaar geleden ontstaan is. Het psychiatrisch handboek waarmee de diagnoses worden gesteld, de DSM, is echter pas in de jaren ’50 (zo’n 65 jaar geleden) geschreven, dus sinds die tijd kan er pas echt gesproken worden van het stellen van officiële psychiatrische diagnoses. Daarom zullen we er hier vanuit gaan dat er met ‘vroeger’ bedoeld wordt: ‘de tijd vanaf de DSM’.
Uitgaande van de tijd vanaf de DSM, zien we dat de maatschappij zich sinds die tijd heel snel ontwikkeld heeft. Sneller nog dan tijdens de industrialisatie. De visies over opvoeden zijn erg veranderd, het onderwijs is steeds uitgebreider geworden en gaat dieper op de stof in. De werkplek en het huiselijk leven zijn ook zeer veel veranderd. De laatste decennia heeft digitalisering plaats gevonden, zodat iedereen nu makkelijk aan informatie kan komen over psychiatrische stoornissen en hun kenmerken. Psychische problemen en stoornissen worden daardoor, door de bevolking, aan de ene kant meer geaccepteerd, maar aan de andere kant eerder toegekend aan mensen die anders zijn of niet begrepen worden.

De vraag waarom er tegenwoordig meer diagnoses gesteld worden dan vroeger kan dus beantwoord worden door te stellen dat de paradox van de vrijheid van de eigen identiteit en de zelfontplooiing tegen de hogere verwachtingen die de maatschappij stelt en de overvloed aan prikkels, ervoor zorgt dat mensen die daar moeite mee hebben meer opvallen en vaker onderzocht worden, waardoor er meer diagnoses gesteld worden.

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende