(Begin CC BY-ND, zie nawoord)

Door het schrijven van dit boek heeft de auteur verscheidene ontdekkingen gedaan en inzichten verworven. De ontdekkingen en inzichten hebben de mening van de auteur over bepaalde onderwerpen gevormd en in dit hoofdstuk worden daarom niet alleen de ontdekkingen en inzichten, maar ook de eigen mening erover naar voren gebracht.

Allereerst wordt aan het begin van het boek de theorie van de asynchronische ontwikkeling als uitgangspunt genomen.
Later in het boek komt echter de belangrijkheid van de Sensorische Informatieverwerking (SI) en de Executieve Functies (EF’s) naar voren. De SI en EF’s staan de mogelijkheid van een asynchronische ontwikkeling van de hersenen niet in de weg, maar het wordt wel duidelijk dat de theorie van de overgestimuleerde rechterhersenhelft niet de enige en belangrijkste reden lijkt te zijn dat autisten anders denken en de wereld anders beleven dan de meeste mensen.

Een van de andere theorieën die aan de orde zijn gekomen is die van de Centrale Coherentie (CC), waarbij er vanuit wordt gegaan dat autisten het geheel niet kunnen overzien, maar slechts details kunnen opmerken. In het begin van het boek is deze theorie echter al verworpen. Vanuit de gedachtengang van de asynchronische ontwikkeling van de hersenen, waarbij de rechterhersenhelft meer gestimuleerd en ontwikkeld lijkt te zijn en dat men dus juist goed het overzicht zou kunnen zien, lijkt de theorie van de CC, dat autisten het geheel niet zouden kunnen overzien, strijdig te zijn.
Later in het boek wordt de reden waarom het niet zou kloppen nog verder uitgediept. Wanneer sensorische informatieverwerking aan bod komt, waarbij meestal een overvloed aan informatie binnenkomt en alles tegelijk wordt opgemerkt en waargenomen, lijkt deze theorie helemaal niet meer te kloppen.
De theorie is dan ook ongeveer 35 jaar oud en ten tijde van het bedenken ervan leek het een aannemelijke theorie. Maar in het licht van de huidige wetenschappelijke onderzoeken en inzichten is de theorie niet meer relevant. Jammer is dat de theorie nog steeds als waarheid wordt gebracht door de meeste wetenschappers en hulpverleners.
Wat wel over de theorie naar voren komt is dat autisten zich inderdaad meer schijnen te richten op details, zoals de theorie ook aangeeft. Dat punt van de theorie wordt dan ook niet ter discussie gesteld. Maar de oorzaak lijkt niet te liggen in de gebrekkige waarneming van de CC, maar eerder in het feit dat wanneer alles tegelijk binnenkomt, het richten van de aandacht op iets specifieks of een detail veel rustiger is en dat je op die manier de informatie meer gecontroleerd binnen kan laten komen.

Ook de theorie van de Theory of Mind (ToM) wordt in dit boek verworpen. Hierbij gaat men ervan uit dat autisten zich niet kunnen inleven in anderen en daardoor geen empathie hebben. Wanneer er echter sprake is van een overontwikkeling van de rechterhersenhelft, waarbij gevoelens juist sterk worden beleefd, en wanneer er sprake is van een goed overzicht en overvloed aan sensorische informatie, lijkt deze theorie niet te kloppen.
Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, maar een andere beleving van de wereld en daardoor niet altijd kunnen duiden waarom mensen bepaalde reacties geven, lijkt heel aannemelijk. Normaal- tot hoogbegaafde autisten hebben in hun jeugd meestal geleerd dat zij zich aan moeten passen aan anderen en blijven meestal hun hele leven lang bezig deze kunst te verfijnen.
Het niet in kunnen leven in anderen, zoals de theorie aangeeft, is door de andere beleving van de wereld tot op zekere hoogte waar, maar de meeste autisten zullen door schade en schande leren en hun best blijven doen de ander tegemoet te komen en proberen de ander te begrijpen.
In dat opzicht zijn het dan juist de neuro-typische mensen die een verminderde ToM hebben. Zij gaan vaak uit van hun eigen beleving en zullen de autist daardoor meestal niet begrijpen. Zij hebben vaak niet eens door dat er van een andere beleving sprake zou kunnen zijn en dat zij, net als de autist, ook hun best zouden moeten doen om de ander tegemoet te komen. Hierdoor worden de reacties van de autist als raar gezien, omdat het niet voldoet aan hun eisen en beleving van hoe dingen horen te zijn.

Autisme is dus een andere manier van denken en beleven (en daardoor soms ook een andere manier van doen) die de meeste neuro-typische mensen niet goed kunnen volgen en begrijpen. Autisten worden geacht zich aan te passen aan de norm en willen dit meestal ook graag. Maar het is niet zo makkelijk. Doordat autisten een andere manier van denken hebben, is het eigenlijk onmogelijk om op een manier te denken zoals de meeste (neuro-typische) mensen dat doen. Als dat mogelijk was, zouden ze namelijk niet autistisch zijn.

Samenhangend met de theorie van de ToM, zijn er afgelopen jaar nieuwe ideeën ontstaan over de werking van de hersenen van autisten door verschillende onderzoeken. Men ontdekte dat de resultaten van volwassen autisten die een test deden om de werking van de ToM vast te stellen, weinig verschilden met de resultaten van neuro-typische mensen. Ook lijken er geen dementerende autisten te zijn geregistreerd. Door deze twee ontdekkingen denkt men dat het autistische brein altijd door blijft leren.
Gezien het bovenstaande is dat niet verbazingwekkend. In principe hoeft er bij autisten geen sprake te zijn van een slechte werking van de ToM, alleen moeten autistische kinderen nog leren hoe neuro-typische mensen in elkaar zitten en wat er in dat opzicht van hen verwacht wordt.
Ook is zeer aannemelijk dat het brein van een autist geen dementie zou ontwikkelen, wanneer er uitgegaan wordt van de theorie die wetenschappers hebben geopperd dat dementie (gedeeltelijk) tegengegaan kan worden door het brein te trainen en hersengymnastiek te doen. De hersenen van een autist lijken hun hele leven hard aan het werk te zijn om te overleven in een neuro-typische omgeving door zich constant aan te passen aan een andere manier van denken en beleven dan hen eigen is. Hierdoor zou geen andere hersentraining of -stimulatie nodig hoeven zijn. Het brein van andersdenkende mensen lijkt namelijk sowieso harder te moeten werken om te kunnen overleven en mee te kunnen komen in de maatschappij.

De vraagstelling, door sommige wetenschappers, of empathie meer kwaad doet dan goed, leverde ook een nieuw inzicht op in de ToM. Dat het inleven in de ander en dus het beleven van tweedehands emoties een bron van frustratie kan zijn voor autisten zal voor veel mensen nieuw zijn. Het beleven van de emoties van een ander levert namelijk maar weinig op voor de persoon in kwestie en kost alleen maar (verspilde) energie.
Dit is een andere manier van kijken naar waarom autisten meer moeite lijken te hebben met empathie dan het klakkeloos beweren dat ze geen empathisch vermogen bezitten. En het strookt met de uitkomsten van de onderzoeken naar de ToM bij volwassenen, waarbij aangetoond is dat er geen verschil is tussen de ToM van volwassenen met en zonder ASS. Ook strookt het met de theorie van de asynchronische ontwikkeling van de hersenen, waarbij mensen met een overontwikkelde rechterhersenhelft gevoelsmensen zijn en emoties hen kunnen overweldigen.
Zelfs het feit dat sommige autisten het moeilijk vinden om emoties af te lezen aan het gezicht van een ander past hier heel goed bij, omdat er vaak zeer veel informatie afgegeven wordt via het gezicht en het dus wellicht ‘veiliger’ is om een ander niet aan te kijken of de binnenkomende informatie niet te interpreteren. Het uit de weg gaan van tweedehands emoties lijkt daarom goed in het plaatje te passen.
De samenhangende veronderstelling van veel mensen dat autisten geleerd moet worden om gezichten af te lezen om zo te leren wat een ander voelt, lijkt sowieso nogal krom. Dan zouden blinde mensen anderen ook niet kunnen begrijpen, aanvoelen en invoelen. Empathie is niet hetzelfde als emoties af kunnen lezen van een gezicht. Daarnaast lijkt empathie sowieso een overgewaardeerde vaardigheid te zijn die rationaliteit in de weg staat; iets waar veel autisten hun toevlucht toe lijken te nemen om met de wereld om hen heen om te kunnen gaan.

Een ander inzicht dat door het schrijven van dit boek verworven is, is het feit dat de sociaal-emotionele problemen die vaak waargenomen worden bij autisten, niet direct voort lijken te komen uit de stoornis zelf (de andere beleving van de wereld en andere ontwikkeling van de hersenen). Maar dat het eerder een indirect gevolg is van de stoornis, omdat de andere beleving van de wereld en andere ontwikkeling in de hersenen vaak leiden tot een verstoorde relatie met de omgeving.
Zoals in het bovenstaande naar voren komt, ontstaat de verstoorde relatie meestal door de druk die gelegd wordt op het autistische kind om zich te conformeren aan de norm. Omdat het kind een andere ontwikkeling doormaakt, kan het de norm (nog) niet volgen, waardoor bepaalde zaken niet op de juiste tijden worden aangeboden. De sociaal-emotionele ontwikkeling is namelijk vooral een ontwikkeling die aangeleerd wordt. Door de andere ontwikkeling van het autistische kind zouden bepaalde sociale en emotionele zaken ook op andere tijden en/of andere manieren moeten worden aangeboden die passen bij het kind. Doordat dit meestal niet gebeurt, kunnen er problemen ontstaan, waardoor het lastig is voor autistische kinderen om mee te komen op sociaal en emotioneel gebied.
De sociale vaardigheidstrainingen die vaak gegeven worden aan autistische kinderen, werken daardoor niet altijd even goed. Er wordt, in deze trainingen, meestal vanuit gegaan dat de kinderen een gebrekkige CC en ToM hebben. Daarnaast zijn de trainingen meestal gericht op het aanleren van de geldende sociale regels volgens methodieken die eerder gericht zijn op een neuro-typische manier van denken. Niet alle autistische kinderen hebben daarom evenveel baat bij de trainingen. Het hangt van vele factoren af of het effectief is, zoals de opzet van de training, hoe het kind in het leven staat, de cognitie van het kind, de omgevingsfactoren en dergelijke.

Samenhangend met het inzicht dat de sociaal-emotionele problemen vooral liggen aan een verstoorde relatie met de omgeving en het niet op de juiste tijd/manier aangeboden krijgen van (sociaal-emotionele) informatie, is de ontdekking dat (reguliere) scholen beperkend kunnen zijn voor (andersdenkende) kinderen. Veel (andersdenkende) kinderen hebben op de een of andere manier moeite op school, zowel met de manier waarop de stof is aangeboden als met de sociale omgang. Dit geldt vooral voor kinderen die een andere beleving en ontwikkeling hebben, maar kan evengoed gelden voor neuro-typische kinderen.
Wat namelijk heel belangrijk is bij het leren, is dat er aandacht besteed wordt aan de leerstijl van een kind. Alle kinderen hebben er baat bij te weten welke leerstijl bij hen past en welke leerstrategieën en leertactieken zij kunnen gebruiken. Dit bevordert het leren en de motivatie om te leren.
Maar vooral anders denkende kinderen hebben last van de manier waarop de lesstof wordt aangeboden. Andersdenkende kinderen vinden het namelijk vaak prettig eerst naar het geheel te kijken alvorens naar de verschillende onderdelen van de lesstof. Ook willen ze graag op een andere manier benaderd worden dan gebruikelijk. Ze willen graag meedenken, als gelijke behandeld worden en duidelijkheid hebben in het verloop van de dag. Maar doordat dit meestal niet de gebruikelijke manier is op school, wordt dit niet gedaan. De andersdenkende kinderen moeten zich dus ook op school weer aanpassen. Daardoor voelen de kinderen zich vaak niet gehoord, gezien en begrepen en ontbreekt vaak het vertrouwen in school (en de leerkracht). Dit is niet bevorderlijk voor het leren.
Ook wordt er op de meeste scholen nauwelijks aandacht besteed aan de sociale omgang in de groep. Bepaalde sociale trainingen en lesprogramma’s worden wel vaak gegeven op scholen, maar deze gaan meestal slechts in op de geldende sociale omgangsregels. Dit is echter maar een klein onderdeel van de hele sociaal-emotionele ontwikkeling die alle kinderen doormaken. Om echt een verandering teweeg te brengen is het noodzakelijk dat kinderen bewust worden van zichzelf en de ander en dat er veel aandacht besteed wordt aan de groepscohesie. De groepscohesie is een groepsgevoel, waarbij men dus het gevoel krijgt bij de groep te horen en door de groep geaccepteerd te worden. Door hier aandacht aan te besteden, leren kinderen respect voor elkaar te hebben en leren ze dat ze bij elkaar horen als groep. Ook helpt een goede groepscohesie bij het leren omgaan met uitdagingen en leren verwerken van teleurstellingen. Het levert volwassenen op die zelfvertrouwen hebben en positief in het leven staan.
Er wordt in de maatschappij, zowel op school als elders, echter vaak meer aandacht besteed aan competitief gedrag dan aan groepscohesie. Men oppert dat door samen in een team te zitten, men leert samenwerken en dat het de groepscohesie bevordert. Dit is echter niet geheel waar. Daar is meer voor nodig dan slechts het vormen van een team en het samen op te nemen tegen een ander team.
Door het vergelijken van cijfers, leerniveaus, sporten, wedstrijden (op wat voor gebied dan ook) en dergelijke wordt juist in de hand gewerkt dat je beter moet zijn dan een ander. Wanneer er echter meer aandacht besteed zou worden aan samenwerking en coöperatie, zou het kinderen stimuleren om meer open te staan voor anderen en open te staan voor een andere manier van werken, denken en benaderen.
Door op tijd aandacht te besteden aan de groepscohesie en samenwerking zou het later ook de inclusieve samenleving kunnen bevorderen, zoals de regering nastreeft.

In samenhang hiermee is ook duidelijk geworden dat er tegenwoordig veel van scholen en leerkrachten gevraagd wordt. Het is eigenlijk niet eerlijk hen op te zadelen met steeds meer taken die alle gebieden van de ontwikkeling omvatten. Vroeger was school vooral gericht op de cognitieve ontwikkeling, maar, ondanks dat de taken van vroeger nog steeds voortbestaan, komen er alleen maar taken bij. Scholen zijn destijds in het leven geroepen om kinderen bepaalde dingen bij te brengen volgens de normen van die tijd. De opvoedvisie is veranderd, maar scholen zijn maar weinig veranderd. De maatschappij verwacht echter wel dat scholen de huidige opvoedvisie nastreven. Tegenwoordig gaat dit verder dan het lezen, schrijven en rekenen en worden er andere eisen gesteld. Eisen die de leerkracht in de opleiding vaak niet mee heeft gekregen. Het is daarom noodzaak om eens goed te kijken naar het onderwijs en de taken van de leerkrachten.

Wat ook opviel tijdens de ontdekkingstocht van het onderzoeken en schrijven, was hoeveel waarde mensen hechten aan taal en communicatie. Al eeuwen geleden vond men dat taal en communicatie datgene was wat de mensen van de dieren onderscheidde. Mensen die om de een of andere reden moeite hebben met communiceren worden daarom al snel als minderwaardig of niet slim beschouwd. Dat lijkt ook de reden te zijn dat er op school zo’n grote nadruk ligt op lezen en schrijven. Maar aangezien mensen eerder kunnen begrijpen dan kunnen uitvoeren, is het jammer dat daar niet meer aandacht voor is in de maatschappij, zodat deze mensen in hun waarde gelaten worden.
Daarmee samenhangend was ook het feit dat dyslexie een verzamelnaam is voor vele moeilijkheden op het gebied van lezen en schrijven verrassend. Het feit dat mensen met dyslexie dus last kunnen hebben van verschillende dingen is niet algemeen bekend. De bestaande behandelingen richten zich vooral op de meest voorkomende problemen, waardoor niet iedereen geholpen kan worden.

Wat hierdoor ook naar voren komt, is de ontdekking dat de manier van toetsen een grote invloed heeft.
Op school wordt meestal gebruik gemaakt van de CITO toets. De vraagstelling van de toetsen wordt op een bepaalde manier gedaan. Dit kan geoefend worden. Scholen oefenen vaak met de CITO en steeds meer methodes houden diezelfde vraagstelling aan. Hierdoor lijken kinderen dus eerder de vraagstelling te oefenen dan de kennis. Kennis kan dan worden opgevraagd en gegeven mits de manier van vraagstelling gevolgd wordt die bekend is bij de kinderen. Kinderen die de vraagstelling niet duidelijk vinden, ervaren vaak meer moeite en/of frustratie op school.

Verder was het belang van de minder bekende zintuigen een interessante ontdekking.
Een goede sensorische informatieverwerking is bijvoorbeeld heel belangrijk voor het communiceren, zoals het belang van de interoceptie (prikkels van binnen het eigen lichaam) voor het herkennen van en praten over emoties.
Daarnaast kwam het belang van de propriocepsis (prikkels van gewrichten, pezen en spieren over de houding) sterk naar voren bij de motorische ontwikkeling. Zowel de interoceptie als de propriocepsis zijn minder bekende zintuigen, maar blijkbaar wel erg belangrijk voor de motorische en sociaal-emotionele ontwikkeling en daarmee voor de cognitieve ontwikkeling en de ontwikkeling van de hersenen.

Als laatste was het recente onderzoek naar het autistische brein zeer interessant. Hieruit kwam naar voren dat het volwassen autistische brein niet significant anders lijkt te werken met betrekking tot de ToM en dat er geen dementie voor lijkt te komen bij autisten. Ook zijn er onderzoeken geweest die uitwijzen dat ieder brein anders is en dat er uberhaupt geen ‘autistisch’ brein lijkt te bestaan. Al deze onderzoeken lijken erop te duiden dat het dus geen afwijking van de hersenen betreft of een afwijking van voorbijgaande aard. Net zoals bij hoogbegaafden, waarbij de fysieke hersenafwijking op volwassen leeftijd niet meer aan te tonen is. De gevolgen van de andere ontwikkeling zijn meestal blijvend (de ontwikkeling is nu eenmaal anders verlopen), maar de vermeende hersenafwijking zelf lijkt op volwassen leeftijd niet of nauwelijks meer te bestaan.

(Einde CC BY-ND, zie nawoord)

Begin, Inhoudsopgave, Vorige, Volgende